Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal met geweld van een geldbedrag uit een winkel. De verdachte betwistte onder meer de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, met vermindering van de gevangenisstraf naar een gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
Het tweede middel klaagde terecht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van dertig maanden (waarvan zes voorwaardelijk) naar 29 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 10 december 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 29 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.