Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt over het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en het opleggen van een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel. De vaststelling van het schadebedrag en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel door het hof zouden, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dat sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade en het delict en het verweer dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.
‘Het proces-verbaal van aangifte van [medewerker 1], opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , agent, opgenomen in het door hem op 13 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal (…), voor zover van belang inhoudende:
‘Ik ben vandaag, 13 oktober 2016, omstreeks 15.30 uur, getuige geweest van een greep die gedaan is uit de kassa bij de [benadeelde partij] gelegen aan de [a-straat 1] te Almere. (...) Ik ben samen met [medewerker 1] achter de man aangerend in de richting van de Bart Smit. Bij de in/-en uitrit van de parkeergarage stopte de man met rennen en draaide zich om in onze richting. Ik hoorde de man roepen: ‘Kom dan’, hij mompelde hier iets als ik ga je slaan en/of schieten. Ik zag dat de man hierop met zijn hand in zijn jaszak zat.’’
‘Feit 1: Diefstal met bedreiging, 13 oktober 2016, [benadeelde partij]
BFK: ik begrijp de vordering van [benadeelde partij]) niet-ontvankelijk te verklaren. Opmerking verdient tevens dat de verdediging de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering acht, omdat de vordering te complex is om in een strafzaak af te kunnen doen en daarnaast onvoldoende is onderbouwd.’
(…)
De vordering van de [benadeelde partij] is groter dan in alle andere zaken. Normaal is de vordering beperkt tot een geldbedrag, soms met enige immateriële schade. In deze zaak is de gevorderde schadevergoeding buiten proportie. Het contante geldbedrag kan worden toegewezen. Er is een duidelijk delictpatroon. Er is geen andere winkel die besluit de winkel te sluiten. De beslissing om de winkel te sluiten en de gemiste omzet van de winkel en de loonschade is veel te ver verwijderd van het delict. Er is geen causaal verband. Daar hoeft cliënt niet voor op te draaien. Dat gebeurt in andere zaken ook niet. Daarnaast is het een onevenredige belasting van de strafzaak. Hoe kan de omzet en de loonschade goed worden berekend? De trajectkosten van de behandeling van de medewerkers is gigantisch. Ik kan me voorstellen dat het veel impact heeft, maar het gaat te ver om de kosten op cliënt te verhalen. Het contante geldbedrag dient te worden toegewezen, de rest dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De advocaat-generaal voert het woord tot repliek - zakelijk weergegeven -:
[medewerker 1] en [medewerker 2]lichten namens [benadeelde partij] de vordering toe die is omschreven in het formulier ex artikel 51g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat zich al in het dossier bevindt.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga heeft Uw Raad uiteengezet op welke wijze de rechter de vordering van de benadeelde partij dient te beoordelen. Uw Raad overwoog onder meer (met weglating van voetnoten):
tweedemiddel bevat de klacht dat de redelijke termijn is geschonden doordat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.