ECLI:NL:HR:2019:1931

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2019
Publicatiedatum
10 december 2019
Zaaknummer
18/04154
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 8.2.a WVW 1994Art. 9.2 WVW 1994Art. 5 WVW 1994
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens ontbreken feitelijke grondslag bij oproeping in hoger beroep verkeersovertredingen

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake drie verkeersovertredingen. Het middel in cassatie betrof de stelling dat het hof ten onrechte de zaak in behandeling had genomen omdat niet aan de formele vereisten voor oproeping was voldaan. Specifiek werd aangevoerd dat een afschrift van de oproeping voor de nadere terechtzitting in hoger beroep niet was verzonden aan het kantooradres van de raadsman, zoals vermeld in de bijzondere volmacht.

De bijzondere volmacht vermeldde twee adressen voor toezending van oproepingen: het kantooradres van de raadsman en een ander adres waar een huisgenoot woonde. De oproeping was uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en aan de huisgenoot op het tweede adres, omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland niet bekend was.

De Hoge Raad constateerde dat bij de aan haar gezonden stukken een mededeling van de Advocaat-Generaal aanwezig was, gericht aan de raadsman, waarin stond dat de strafzaak op de datum van de nadere terechtzitting in hoger beroep zou worden behandeld. Hierdoor ontbrak feitelijke grondslag voor het middel dat het hof niet had mogen behandelen. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

De uitspraak bevestigt dat de aanwezigheid van een mededeling aan de raadsman over de zitting voldoende is om het aanwezigheidsrecht van de raadsman te waarborgen, ook als de oproeping niet aan het kantooradres is verzonden. Het arrest benadrukt het belang van feitelijke grondslag in cassatiemiddelen en de formele vereisten rondom oproeping in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep wegens ontbreken feitelijke grondslag voor het middel over de oproeping in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04154
Datum10 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 april 2016, nummer 22/001641-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.N. de Jonge en M.E. Olthof, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel klaagt dat het Hof op de terechtzitting van 11 april 2016 de zaak niet in behandeling had mogen nemen. Het voert daartoe aan dat ten onrechte niet een afschrift van de oproeping voor die terechtzitting is verzonden aan het kantooradres van de raadsman S. Arts.
2.2
Nu zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken een mededeling van de Advocaat-Generaal van het Ressortparket Den Haag bevindt, gericht aan S. Arts en inhoudende dat op 11 april 2016, 12.00 uur de strafzaak wordt behandeld tegen de verdachte, mist het middel feitelijke grondslag en faalt het reeds daarom.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 december 2019.