ECLI:NL:HR:2019:1947

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2019
Publicatiedatum
12 december 2019
Zaaknummer
19/02724
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 onder j WgbzArt. 349a FwArt. 6 EVRMArt. 284 lid 1 FwArt. 350 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen griffierecht verschuldigd bij cassatie tegen termijnwijziging schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft een persoon die onder de wettelijke schuldsaneringsregeling valt cassatie ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank die het verzoek tot verkorting van de termijn van de schuldsaneringsregeling had afgewezen. De griffier van de Hoge Raad had het griffierecht voor cassatie vastgesteld op €336, het tarief voor onvermogenden. Tegen deze heffing kwam opposant, namens de betrokkene, in verzet.

De kern van het verzet was dat het niet redelijk is om van iemand die schuldsanering geniet te verlangen dat hij griffierechten betaalt voor een rechtsmiddel dat betrekking heeft op de duur van die regeling, omdat dit de toegang tot de rechter belemmert en strijdig is met artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad bevestigde dat op grond van artikel 4 lid 2 onder Pro j van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) geen griffierecht wordt geheven voor verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en rechtsmiddelen tegen afwijzing daarvan.

De Hoge Raad breidde deze uitleg uit naar hoger beroep en cassatie tegen beslissingen over wijziging van de termijn van de schuldsaneringsregeling, zoals in dit geval. Dit is in lijn met het doel van de wetgever om financiële drempels weg te nemen voor personen met beperkte draagkracht. Het verzet werd gegrond verklaard en het griffierecht werd op nihil gesteld. Een verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat de wet daarin niet voorziet.

Uitkomst: Geen griffierecht verschuldigd bij cassatie tegen termijnwijziging schuldsaneringsregeling; verzet gegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02724
Datum13 december 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
Mr. J. van Weerden, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
en kantoorhoudende te Den Haag,
OPPOSANT op de voet van art. 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz)
tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad,
hierna: opposant,
mede optredend namens:
[betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [betrokkene 1].

1.Procesverloop

[betrokkene 1] heeft cassatie ingesteld tegen de beschikking in de zaak C/03/261243/HA RK 19-54 van de rechtbank Limburg van 25 april 2019.
De hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht is door de griffier van de Hoge Raad bepaald op € 336,--.
Tegen deze beslissing is opposant, mede namens [betrokkene 1], op de voet van art. 29 lid 1 Wgbz Pro in verzet gekomen.
De griffier van de Hoge Raad heeft een verweerschrift ingediend, waarbij hij heeft geconcludeerd tot verwerping van het door opposant ingestelde verzet.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot afwijzing van het verzet.
Opposant heeft namens [betrokkene 1] schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Op [betrokkene 1] is de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
2.2
In de hoofdzaak heeft de bewindvoerder van [betrokkene 1] op grond van art. 349a Fw verzocht om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verkorten. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft het tegen die afwijzing gerichte beroep van [betrokkene 1] eveneens afgewezen.
2.3
[betrokkene 1] heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft de hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht bepaald op het hiervoor onder 1 genoemde bedrag van € 336,--. Dit bedrag is het in de bijlage bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) vermelde griffierecht dat bij de Hoge Raad geldt voor onvermogenden.

3.Beoordeling van het verzet

3.1
Het verzet van opposant en [betrokkene 1] tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het hiervoor in 2.3 bedoelde griffierecht, berust in de kern op de stellingen dat van [betrokkene 1] – nu zij is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling – niet kan worden gevergd dat zij griffierechten betaalt voor een rechtsmiddel dat betrekking heeft op de omvang en tijdsduur van de schuldsaneringsregeling en dat heffing van het griffierecht in een geval als het onderhavige de toegang tot de rechter belemmert in een mate die in strijd komt met art. 6 EVRM Pro.
3.2
Op grond van art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder j, Wgbz wordt geen griffierecht geheven voor de indiening van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 284 lid 1 Fw Pro en voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek. De ratio van deze bepaling is het bevorderen van de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling door geen onnodige financiële drempels op te werpen. [1]
3.3
Op grond van het kennelijke oordeel van de wetgever dat van personen die bij de rechtbank een verzoek indienen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet gevergd kan worden griffierecht te betalen, de hiervoor vermelde ratio van art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder j, Wgbz, alsmede het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, heeft de Hoge Raad art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder j, Wgbz aldus uitgelegd dat niet slechts in eerste aanleg maar ook in hoger beroep en cassatie geen griffierecht is verschuldigd door personen die een verzoek hebben gedaan tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. [2] Deze uitleg is ook gevolgd in het geval waarin de persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of in cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 350 Fw Pro gedaan verzoek tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. [3]
3.4
Gelet op het voorgaande moet art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder j, Wgbz, zo worden uitgelegd dat de bepaling ook toepassing vindt, en dat dus geen griffierecht is verschuldigd, in een geval als het onderhavige, waarin de persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 349a Fw gedaan verzoek tot wijziging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Net als in de gevallen van de hiervoor in 3.3 genoemde uitspraken, geldt hier dat het in de regel gaat om personen die, gelet op de toepassing op hen van de schuldsaneringsregeling, minder financiële draagkracht hebben dan bijstandsgerechtigden en derhalve over onvoldoende financiële draagkracht beschikken om het in hoger beroep en in cassatie verschuldigde griffierecht te betalen.
3.5
Het verzet is dus gegrond.
3.6
[betrokkene 1] heeft verzocht de griffier te veroordelen in de proceskosten van het onderhavige verzet. De Hoge Raad ziet geen aanleiding deze vordering van [betrokkene 1] toe te wijzen nu de wet daarin niet voorziet. De vordering van [betrokkene 1] zal dan ook worden afgewezen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • stelt het door [betrokkene 1] verschuldigde griffierecht op nihil;
  • wijst de in 3.6 genoemde vordering af.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
13 december 2019.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 3, p. 34, Kamerstukken II 1993/94, 22969, nr. 6, p. 31 en Kamerstukken II 2005/06, 29942, nr. 7, p. 61.
2.HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3883, rov. 2.4.
3.HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4020, rov. 3.3.2.