Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte, arts, die werd veroordeeld voor poging tot ontucht met misbruik van gezag of vertrouwen jegens een patiënt. Het slachtoffer bezocht de huisartsenpraktijk van de verdachte voor medische behandeling en wilde tevens een lipvergroting laten uitvoeren. In ruil daarvoor had zij toezeggingen gedaan dat verdachte met haar mocht doen wat hij wilde.
Tijdens het bezoek heeft verdachte geprobeerd om met naar beneden getrokken broek en onderbroek op het slachtoffer te gaan liggen. De vraag was of het slachtoffer zich nog in een afhankelijkheidsrelatie bevond ten opzichte van de verdachte als arts en of er sprake was van de voor ontucht vereiste wederrechtelijkheid.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot cassatie kunnen leiden en dat het beroep van de verdachte moet worden verworpen. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
Het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt daarmee bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 17 december 2019, waarbij vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd, waarmee de veroordeling voor poging ontucht met misbruik van gezag gehandhaafd blijft.