Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, wegens uitkeringsfraude. Het hof oordeelde dat een taakstraf niet mogelijk was omdat de verdachte in Frankrijk woonachtig is en de minimale duur van een taakstraf voor overdracht naar een ander EU-land niet gehaald zou worden.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof de mogelijkheid van oplegging van een taakstraf in een ander EU-land had miskend. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden, mede omdat de verdachte onvoldoende belang had bij deze klacht aangezien in hoger beroep niet om een taakstraf was verzocht, maar slechts om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van zes maanden, waarvan één maand voorwaardelijk.