Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de aanvrager is veroordeeld voor het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep en diefstal van elektriciteit door verbreking. De aanvrager stelde dat het vonnis waarin een getuige, die als ontlastende getuige was gehoord, werd vrijgesproken van meineed, een ernstig vermoeden wekte dat hij zelf ook vrijgesproken zou zijn als dat vonnis bekend was geweest.
Het hof had de verklaring van de getuige als ongeloofwaardig beoordeeld en buiten beschouwing gelaten. De Hoge Raad oordeelde dat de vrijspraak van de getuige niet automatisch betekent dat diens verklaring geloofwaardig was of dat het hof die verklaring had moeten meenemen in het voordeel van de aanvrager. De bewijsvoering, waaronder politieprocessen-verbaal en rapporten, ondersteunde de bewezenverklaring van de hennepteelt en diefstal.
De Hoge Raad concludeerde dat het aangevoerde niet voldeed aan de strenge criteria voor herziening op grond van artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv. De aanvraag werd daarom afgewezen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 17 december 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor hennepteelt en diefstal elektriciteit.