ECLI:NL:HR:2019:24

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
18/03798
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51a UitleveringswetVerdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (2010)Verdrag tegen corruptie (New York, 2003)Art. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijziging verdragsgrondslag bij uitleveringsverzoek naar Marokko

De zaak betreft een uitleveringsverzoek van het Koninkrijk Marokko aan Nederland voor een persoon van Marokkaanse nationaliteit, verdacht van verduistering, valsheid in geschrift en documentvervalsing. De Rechtbank Noord-Nederland verklaarde de uitlevering toelaatbaar, hoewel het verdrag genoemd in het verzoek geen basis bood voor uitlevering. De rechtbank toetste het verzoek ook aan het Verdrag tegen corruptie uit 2003.

De opgeëiste persoon stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte de verdragsgrondslag heeft gewijzigd en dat de uitlevering uitsluitend op het in het verzoek genoemde verdrag moet worden beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat deze opvatting geen steun vindt in het recht en verwierp het beroep.

De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank bevoegd is om de toelaatbaarheid van uitlevering te toetsen aan andere toepasselijke verdragen dan die in het verzoek zijn vermeld, zolang deze binnen de wettelijke kaders vallen. Het arrest onderstreept de ruime toetsingsbevoegdheid van de rechter bij uitleveringsverzoeken en sluit aan bij de internationale samenwerking tegen corruptie en strafvervolging.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en bevestigt de rechtmatigheid van de uitlevering op basis van het Verdrag tegen corruptie, ondanks het ontbreken van een grondslag in het in het verzoek genoemde verdrag.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitlevering toelaatbaar is op grond van het Verdrag tegen corruptie.

Uitspraak

Strafkamer
8 januari 2019
nr. S 18/03798 U
JW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen,
van 8 juni 2018, nummer [001] , op een verzoek van het Koninkrijk Marokko tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1976.

1.De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan het Koninkrijk Marokko toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van - naar de Hoge Raad begrijpt - de feiten zoals omschreven in het "Exposé détaillé des faits imputés à l'accusé [de opgeëiste persoon] " van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Marrakesh (Marokko) van 14 mei 2018.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beoordeling van het tweede middel

4.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek ten onrechte de verdragsgrondslag waarop het berust, heeft gewijzigd.
4.2.
Het hiervoor onder 1 genoemde Exposé houdt in een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon, "Vu la convention signée à Rabat le 20-09-2010 entre le Royaume du Maroc et le Royaume des Pays-Bas dans le domaine de l'extradition", waarmee klaarblijkelijk is bedoeld het op 20 september 2010 te Rabat tot stand gekomen Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 2010, 285).
4.3.
Kennelijk en terecht heeft de Rechtbank geoordeeld dat dit verdrag geen basis biedt voor uitlevering. Zij heeft nochtans de uitlevering toelaatbaar verklaard op grond van het in het tweede lid van art. 51a van de Uitleveringswet genoemde, op 31 oktober 2003 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen corruptie (Trb. 2005, 244).
4.4.
Het middel steunt op de opvatting dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend mag worden beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat door de verzoekende Staat in het uitleveringsverzoek is vermeld en dat de Rechtbank daarom de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan voormeld Verdrag tegen corruptie. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht.
4.5.
Het middel faalt.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 januari 2019.