ECLI:NL:HR:2019:248

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
18 februari 2019
Zaaknummer
18/00776
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatieberoep tegen inhouding rijbewijs volgens Wegenverkeerswet

Klager had beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de inhouding van zijn rijbewijs op grond van artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het rijbewijs was op 27 december 2017 voor acht maanden ingehouden. Later is klager veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor dezelfde periode, waartegen hij hoger beroep had ingesteld.

Op 22 augustus 2018 is het rijbewijs aan het CBR verzonden vanwege een nog openstaande vordering en is een kennisgeving van het einde van de ontzegging opgesteld. Hierdoor was vanaf die datum geen sprake meer van inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164.4 WVW 1994.

De Hoge Raad oordeelt dat klager daardoor geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de inhouding van het rijbewijs. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking zou geen verandering brengen in zijn rechtspositie. Daarom verklaart de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 18/00776 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 februari 2018, nummer RK 18/000709, op een klaagschrift als bedoeld in art. 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1963.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 en 3.2 kan de klager niet worden ontvangen in het ingestelde beroep.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 februari 2019.