Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
Klager had beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de inhouding van zijn rijbewijs op grond van artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het rijbewijs was op 27 december 2017 voor acht maanden ingehouden. Later is klager veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor dezelfde periode, waartegen hij hoger beroep had ingesteld.
Op 22 augustus 2018 is het rijbewijs aan het CBR verzonden vanwege een nog openstaande vordering en is een kennisgeving van het einde van de ontzegging opgesteld. Hierdoor was vanaf die datum geen sprake meer van inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164.4 WVW 1994.
De Hoge Raad oordeelt dat klager daardoor geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de inhouding van het rijbewijs. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking zou geen verandering brengen in zijn rechtspositie. Daarom verklaart de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van belang.