Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor zware mishandeling van zijn ex-vrouw, waarbij hij haar tegen de romp schopte met de dood tot gevolg, en het voortgezet wegvoeren en begraven van haar lijk nabij zijn woning met het oogmerk het feit en/of de doodsoorzaak te verbergen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hij klaagde onder meer over de afwijzing van verzoeken tot nader onderzoek en het gebruik van verklaringen van zijn vierjarige dochter in het bewijs, in het licht van artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste twee middelen niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat inzond.
Dit leidde tot de vernietiging van het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof. De straf werd verminderd van zes jaar naar vijf jaar en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de overige veroordelingen en beslissingen gehandhaafd bleven.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 19 februari 2019, waarbij de vice-president en twee raadsheren het vonnis tekenden.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaar naar vijf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.