Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte geboren in 1983 tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte was in voorlopige hechtenis en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 maanden.
De advocaat van de verdachte stelde middelen van cassatie voor, waarbij onder meer werd geklaagd over het niet persoonlijk aanwezig kunnen zijn bij de uitspraak en over de bewijsklachten. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging vanwege een schending van het recht op een redelijke berechtingstermijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, maar adviseerde verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigde.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, die werd verminderd van 90 naar 87 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Deze uitspraak werd gedaan op 8 januari 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 90 naar 87 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.