Conclusie
“Feit 1 primair
Feit 2 primair
eerste middelklaagt over schending van artikel 6 EVRM Pro doordat de veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten “in overwegende mate” berust op de verklaring van een getuige die “niet adversair kon worden getoetst” omdat hij weigerde een verklaring af te leggen terwijl onvoldoende “counterbalancing factors” aanwezig waren. Met een beroep op rechtspraak van het EHRM wordt aangevoerd dat de verklaring van de medeverdachte en getuige [medeverdachte] “decisive” is voor de bewezenverklaring terwijl zo een verklaring dan alleen voor het bewijs mag worden gebruikt indien sprake is van “sufficient counterbalancing factors, including the existence of strong procedural sefeguards” of “measures permitting a fair and proper assessment of the reliability of (the) evidence”. [2] Ik versta het middel aldus dat de verdediging in strijd met het bepaalde in artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad [medeverdachte] te ondervragen terwijl de veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde in beslissende mate op die getuigenverklaring berust, en aan de verdachte niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging van de getuige. [3]
tweede middelklaagt over een ander onderdeel van de bewijsvoering, te weten dat de rechter ontoelaatbare gevolgtrekkingen heeft verbonden aan de omstandigheid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. De gevolgtrekkingen zouden ontoelaatbaar zijn omdat het Hof niet heeft aangegeven aan welke omstandigheden de rechter “ongunstige gevolgtrekkingen mag verbinden” en “welke conclusies hij daaraan heeft verbonden”. Door dit na te laten, “moet veeleer worden aangenomen dat de rechter aan het enkele zwijgen van de verdachte bewijs heeft ontleend”.
derde middelklaagt over de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 die niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, dan wel dat onbegrijpelijk is hoe de rechter de bewezenverklaring uit de door hem genoemde bewijsmiddelen heeft weten af te leiden. In het bijzonder wordt aangevoerd dat nergens uit blijkt dat werkelijk sprake was van “cocaïne en pistolen” en dat van medeplegen in strafrechtelijke zin geen sprake kan zijn omdat de verdachte “ook in de visie van de rechters, met de organisatie van de transporten, met de verwerving noch met de afzet van de drugs iets te doen [had]”.
In de toelichting op het middel wordt ook geklaagd over het onderdeel van de bewijsvoering dat [medeverdachte] onder de naam “[…]” deelneemt aan pinggesprekken. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat door of namens de verdachte dit onderdeel van de verklaring van de getuige is betwist, zodat dit onderdeel van het middel niet voor bespreking in aanmerking komt, nog afgezien van de vraag of daaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten volgt. [4]
NJ2012/649 (Vidgen/Nederland) i.h.b. par. 42 en 27 en HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
NJ2013/145 r.o. 3.3.3. Bij deze klacht heeft de verdachte echter geen in rechte te respecteren belang omdat de onderdelen van de betwiste verklaringen van de getuige [medeverdachte] in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
vierde middelklaagt over de bewijsvoering van het onder 3 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feit. De bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring van feit 3 niet dragen en in ieder geval is de motivering van de bewezenverklaring “niet toelaatbaar en ook niet begrijpelijk”. Als ik het middel goed begrijp, gaat het met name om de bewijswaarde van de verklaringen van verbalisanten waarvan het hof niet heeft vastgesteld wie dat zijn, dan wel waarover zij verklaren. Het gaat om verklaringen die zijn afgelegd, dan wel zijn opgetekend door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Aangevoerd wordt dat niet blijkt waarop de verklaring van [verbalisant 1] berust, terwijl met betrekking tot de verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] “niet blijkt wie zij zijn”.
vijfde middelklaagt erover dat de artikelen 406, 407 en 408 Wetboek van Strafvordering van Curaçao zijn geschonden doordat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om de uitspraak bij te wonen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg. Vanwege dit gebrek had het Hof het vonnis niet mogen bevestigen.
DD87.466 heeft gegeven over artikel 363, eerste lid, Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Voor de beoordeling van het middel is van belang, dat de Hoge Raad daarin het volgende overwoog:
5.3. In het onderhavige geval heeft de verdachte - naar blijkt uit de desbetreffende akte - reeds op 26 mei 1986 tegen de uitspraak beroep in cassatie ingesteld, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij - die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 mei 1986 aldaar vergezeld was van een raadsman - op eerstgenoemde datum van de uitspraak op de hoogte was.
5.4. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte bij de in het middel vervatte klacht geen belang, zodat reeds deswege het middel niet tot cassatie kan leiden.” [11]
zesde middelbevat als ‘samenvattende’ klacht dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces door een onafhankelijke rechter is geschonden. Het zesde middel wordt in de schriftuur aangeduid als een samenvattend middel: “(Samenvattend) middel VI”. De klacht dat inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces door een onafhankelijke rechter wordt onderbouwd met beknopte omschrijvingen van de klachten die naar de kern ten grondslag zijn gelegd aan de voorafgaande vijf middelen. Als voorbeeld noem ik de klacht dat “uit de omstandigheid dat de rechter het zelfs niet nodig heeft gevonden om hem in persoon van de uitspraak op de hoogte te stellen” – welke klacht ten grondslag is gelegd aan het vijfde middel – de “vooringenomenheid” van de rechter zou blijken.