Belanghebbende, bestuurder en enig aandeelhouder van een BV, werd aansprakelijk gesteld voor een onbetaalde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen over 2004-2005. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende geslaagd was in het verweer dat de BV rechtsgeldig melding van betalingsonmacht had gedaan en dat de naheffingsaanslag niet aan opzet of grove schuld van de BV te wijten was.
Het Hof stelde vervolgens vast dat het niet betalen van de naheffingsaanslag te wijten was aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende, omdat zij geen contact had opgenomen met de Belastingdienst nadat zij in januari 2007 wist dat de loonadministratie onjuist was en er voldoende middelen waren om te betalen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof heeft miskend dat de meldingsregeling van betalingsonmacht uitsluit dat het niet betalen van de naheffingsaanslag kan worden toegerekend aan de bestuurder. De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel over kennelijk onbehoorlijk bestuur en de aansprakelijkstelling. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten.