Uitspraak
1.Geding in cassatie
3. Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin hij werd veroordeeld voor doodslag en overtreding van artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening 1930.
De klachten betroffen vermeende vooringenomenheid van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof en bezwaren tegen de strafmotivering. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd uitgesproken op 5 maart 2019 door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Van den Brink en Van Strien.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.