Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een strafzaak over poging doodslag en mishandeling. Het beroep is ingesteld door verdachte en vertegenwoordigd door advocaat G.W.L.A.M. Koppen.
De vice-president en raadsheren van de Hoge Raad hebben de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld. De klachten betreffen onder meer het gebruik van resultaten van een fotoconfrontatie als bewijs en de ondertekening van het vonnis. De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verdachte onvoldoende belang heeft bij het beroep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is uitgesproken op 5 maart 2019 door de vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ongeschiktheid van de klachten tot cassatie.