Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2017, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot woninginbraak. De verdachte voerde in cassatie klachten aan over het bewijs voor medeplegen en de opgelegde straf.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Daarbij werd overwogen dat de klachten geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Boerlage. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor poging tot woninginbraak en medeplegen.