Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor doodslag gepleegd met het oogmerk diefstal bij een tankstation op de Antillen. De verdachte stelde meerdere klachten in, waaronder over de ondertekening van het proces-verbaal, de verwerping van een alternatief scenario en het gebruik van feiten van ambtshalve bekendheid als bewijs.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de stukken te laat door het Hof waren ingezonden.
Deze termijnoverschrijding leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 jaar naar 21 jaar en 6 maanden. Het overige beroep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 maart 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 22 jaar naar 21 jaar en 6 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.