6.2.Het bedoelde verweer heeft het hof als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte bij de overvallen en het voorhanden hebben van de revolver en de munitie betrokken is geweest. Haar verweer komt erop neer dat de verdachte iedere betrokkenheid heeft ontkend en dat zijn lezing aannemelijk moet worden geacht. Daarbij heeft zij in de eerste plaats gewezen op het feit dat de dader van de overvallen een wit c.q. lichtkleurig T-shirt droeg, terwijl de verdachte ten tijde van de aanhouding was gekleed in een rood/blauwkleurig T-shirt en medeverdachte [betrokkene 4] in een zwart T-shirt. Zij heeft er voorts op gewezen dat niet is komen vast te staan dat celmateriaal van de verdachte op de revolver en/of de vissershoed is aangetroffen. Bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 4] zijn bovendien vraagtekens te zetten, aldus de raadsvrouw.
Het Hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft de volgende alternatieve lezing van het gebeuren gegeven:
- medeverdachte [betrokkene 4] heeft op 30 november 2015 verzocht of hij de auto van de verdachte mocht lenen;
- nadat de verdachte daarop in positieve zin had gereageerd, is medeverdachte [betrokkene 4] door een man met een motorfiets afgezet bij de vriendin waar de verdachte op dat moment verbleef;
- de verdachte heeft de zwarte Hyundai, die hij zelf van een ander had geleend, aan medeverdachte [betrokkene 4] meegegeven;
- ongeveer na een half uur - het was inmiddels na zessen - belde medeverdachte [betrokkene 4] de verdachte op om te zeggen dat hij op de terugweg was;
- de verdachte is vervolgens op een afgesproken plaats bij medeverdachte [betrokkene 4] in de auto gestapt, waarna deze doorreed naar de Nederlandse kant van het eiland (naar Maho) om de man die hem eerder bij de verdachte had afgezet op te halen;
- deze man, die [betrokkene 5] heet, kwam bij een rotonde van het strand af en sprong in de auto;
- [betrokkene 5] heeft de verdachte gegroet door zijn knokkels tegen die van de verdachte te slaan;
- omdat de hand van [betrokkene 5] nat aanvoelde, heeft de verdachte zijn hand aan zijn broek droog geveegd;
- [betrokkene 5] vertelde dat hij meer geld nodig had en op zijn verzoek stopte medeverdachte [betrokkene 4] iets voorbij een benzinestation;
- [betrokkene 5] sprong uit de auto en toen hij terugkwam, maakte hij het portier van de auto open, gaf hij het geld en zei hij dat iemand hem volgde en dat medeverdachte [betrokkene 4] en de verdachte daarom moesten gaan;
- medeverdachte [betrokkene 4] en de verdachte reden vervolgens rond in cirkels;
- toen zij de brug naderden, overhandigde medeverdachte [betrokkene 4] de verdachte het geld dat [betrokkene 5] had gegeven en zei dat de verdachte het geld moest verbergen;
- vervolgens zijn de verdachte en medeverdachte [betrokkene 4] door de politie staande gehouden.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van deze alternatieve lezing stelt het Hof voorop dat de verdachte die lezing eerst ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren gebracht, zodat hij de gelegenheid heeft gehad die lezing af te stemmen op het belastende bewijsmateriaal. Daar staat tegenover dat in de cel van medeverdachte [betrokkene 4] een aan de verdachte gerichte brief is onderschept, waarin wordt aangegeven wat de verdachte zou moeten verklaren.
Het Hof heeft de alternatieve lezing van de verdachte tegen het licht gehouden. De verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de voor hem meest belastende omstandigheid — de aanwezigheid van het bloed van de doodgeschoten pompbediende [slachtoffer 1] op zijn broek - , overtuigt echter naar het oordeel van het Hof niet. Blijkens het proces-verbaal van forensisch onderzoek van 25 april 2016 zijn de op de broek van de verdachte aangetroffen bloedsporen rondvormig. Die omstandigheid sluit niet aan bij de verklaring van de verdachte. Immers, indien de bloedsporen daadwerkelijk zouden zijn veroorzaakt door het afvegen van zijn hand aan zijn broek, zoals de verdachte heeft verklaard, zou dat veegsporen hebben veroorzaakt. Het Hof acht daarom niet aannemelijk geworden dat de bloedsporen op de door de verdachte gestelde wijze op zijn broek zijn terechtgekomen.
Daar komt bij dat de verdachte op het moment van de staandehouding weliswaar geen wit T-shirt heeft gedragen, maar dat hij wel de gelegenheid heeft gehad om zijn T-shirt te verwisselen (de overval heeft plaatsgevonden omstreeks 19:01 uur en de verdachte is staande gehouden omstreeks 19:20 uur) en dat de verdachte bovendien — hetgeen past bij het signalement van de dader — een zwarte korte broek en slippers droeg.
Voorts geldt dat, indien de lezing van de verdachte juist zou zijn, het zou betekenen dat de door hem genoemde [betrokkene 5] eerst met medeverdachte [betrokkene 4] naar het tankstation aan de Union Road is gereden en vanaf daar weer is weggereden, dat die [betrokkene 5] vervolgens ergens is uitgestapt, dat daarna de verdachte is ingestapt om vervolgens circa een half uur later samen die [betrokkene 5] weer op te halen. Deze gang van zaken komt het Hof niet aannemelijk voor.
Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat niet is komen vast te staan dat het celmateriaal van de verdachte op de revolver en/of de vissershoed is aangetroffen, maar nu evenmin is vast komen te staan dat het celmateriaal van de verdachte daarop niet is aangetroffen, kunnen aan die omstandigheid geen conclusies worden verbonden.
Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de lezing van de verdachte als niet aannemelijk geworden terzijde moet worden geschoven.
Mede gezien deze overweging is het Hof met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 4] , zoals hiervoor als bewijsmiddel 24 en 25 weergegeven, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Dat hij de verdachte er, ten faveure van een andere vriend, heeft willen inluizen, zoals de verdachte suggereert, is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.
Het Hof hecht tegen deze achtergrond ook geloof aan de verklaring van de verdachte dat het wapen van hem was, zeker nu hij die verklaring ten overstaan van de rechtercommissaris en in het bijzijn van zijn toenmalige raadsvrouw heeft afgelegd.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
(…)”