ECLI:NL:HR:2019:351

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
18/01957
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228a GemeentewetArt. 43 Besluit begroting en verantwoordingArt. 44 Besluit begroting en verantwoording
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat dotatie aan egalisatiereserve geen lastenpost is bij rioolheffing

Belanghebbende, een woningcorporatie, kreeg voor het jaar 2014 aanslagen rioolheffing opgelegd door de gemeente Westerveld. De gemeente had in haar programmabegroting een dotatie van € 821.441 aan de egalisatiereserve riolering opgenomen als onderdeel van de geraamde lasten.

Het geschil betrof de vraag of deze dotatie tot de lasten mocht worden gerekend. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de egalisatiereserve niet gelijkgesteld kan worden aan een voorziening, omdat de gemeente de reserve in 2008 had omgezet om flexibiliteit in besteding te behouden. Daarom kon de dotatie niet als last worden beschouwd, en verklaarde het Hof de Verordening rioolrechten 2014 onverbindend en vernietigde de aanslagen.

Het college stelde cassatie in tegen deze uitspraak, maar de Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad sloot aan bij het oordeel van het Hof, mede gelet op een aan dit arrest gehecht vergelijkbaar arrest. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Hiermee is bevestigd dat een dotatie aan een egalisatiereserve geen lastenpost is die mag worden doorberekend in de rioolheffing.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het college wordt ongegrond verklaard en de aanslagen rioolheffing 2014 worden vernietigd.

Uitspraak

15 maart 2019
Nr. 18/01957
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld (hierna: het College)tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 27 maart 2018, nr. 16/01242, op het hoger beroep van
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 15/1315) betreffende aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Westerveld. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Het College heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, een woningcorporatie, is eigenaar van een aantal woningen in de gemeente Westerveld (hierna: de gemeente). De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende ter zake van die woningen voor het jaar 2014 aanslagen rioolheffing opgelegd.
2.1.2.
Volgens de Programmabegroting van de gemeente belopen de voor het jaar 2014 geraamde baten van de rioolheffing € 2.936.786 en de geraamde lasten € 2.933.286. Tot de geraamde lasten is gerekend een bedrag van € 821.441 dat wordt gedoteerd aan de egalisatiereserve riolering (hierna: de egalisatiereserve).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het in 2.1.2 vermelde bedrag van € 821.441 tot de geraamde lasten kan worden gerekend.
2.2.2.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de gemeente in 2004 de tot dat jaar bestaande egalisatiereserve heeft omgezet in een voorziening, en die voorziening in 2008 weer heeft omgezet in een egalisatiereserve om de vrijheid te houden het geld uit te geven aan een ander doel dan de riolering. De egalisatiereserve kan daarom niet materieel gelijk worden gesteld met een voorziening en de dotatie aan die reserve kan niet tot de lasten worden gerekend, ook al is sprake van een bestemmingsreserve. Het Hof heeft de Verordening rioolrechten van de gemeente voor het jaar 2014 onverbindend verklaard omdat de begrote baten de begrote lasten terzake met meer dan 10% overtroffen en de aanslagen vernietigd.
2.3.
De tegen het in 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof gerichte middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/01955, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/01955 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld in de kosten van belanghebbende van het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.048, derhalve € 1.024, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en
A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld wordt een griffierecht geheven van € 508.