Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft allereerst de grondslag van de vordering van [eiseressen] dat de Gemeente tevens onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig op de aanvraag voor bouwvergunning fase I te beslissen, ongegrond geoordeeld. In dat verband heeft het hof onder meer overwogen dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet verplicht tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de termijnoverschrijding en dat door [eiseressen] onvoldoende is aangevoerd om die verplichting wel te kunnen aannemen. (rov. 6)
Het hof heeft hiernaast het oordeel van de rechtbank onderschreven dat [eiseressen] het causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de door hen gestelde schade onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt (rov. 7). In dat verband heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
Voor de aanvraag van bouwvergunning fase I in april 2008 was al duidelijk dat het perceel van [eiseres 1] nodig zou zijn voor de aanleg van de Rotterdamse baan. Er was sprake van recessie en van de kredietcrisis. Op het bedrijventerrein De Binckhorst stonden veel kantoorpanden leeg. In verband hiermee bestaat twijfel aan de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van het bouwproject. (rov. 9-11)
Uitgangspunt moet zijn dat de overeenkomsten zouden worden ontbonden wanneer op 1 juni 2010 geen bouwvergunning fase I en fase II verleend zou zijn. Het hof verwijst hiervoor onder meer naar de tekst van de ontbindende voorwaarde in de overeenkomsten en stelt in dit verband onder meer vast dat [eiseressen] niet aannemelijk hebben gemaakt dat eventueel uitstel zou zijn overeengekomen (rov. 13).
Onzeker is of bouwvergunning fase II wel zou zijn verleend; die verlening was geen formaliteit (rov. 12). Onder meer de in dat verband geldende parkeernormen konden een probleem vormen (rov. 14). De door [eiseressen] genoemde mogelijkheid van een mechanisch parkeersysteem had daarin mogelijk kunnen voorzien, maar had tot vertraging in de vergunningverlening geleid, naar de Gemeente onbetwist heeft aangevoerd (rov. 15-16).
Onzeker is dus of bouwvergunning fase II (tijdig) zou zijn verleend, aannemende dat die vergunning (in 2009) überhaupt zou zijn aangevraagd, ondanks recessie, aanvraagkosten, steeds concretere plannen rond de Rotterdamse baan en (juist voor een hurende bouwmarkt) weinig ideale parkeermogelijkheden. [eiseressen] hebben de twijfel die de rechtbank over dit laatste heeft uitgesproken, onvoldoende bestreden. (rov. 17)
Voorts zouden mogelijke bezwaarschriftprocedures hoe dan ook vertragend hebben gewerkt. Uit het feit dat in 2008 en 2012 geen bezwaarschriften zijn ingediend, volgt niet dat deze ook zouden zijn uitgebleven als de Gemeente de bouwvergunning fase I in februari 2009 wel had verleend. Mogelijk waren er dan wel bezwaarschriften ingediend om de door de rechtbank genoemde redenen. (rov. 18)
Ook diende er een oplossing te komen voor de bouwmarkt die in het te slopen pand zat. In ieder geval was er nog geen concreet alternatief voorhanden voor een tijdelijk verblijf van die bouwmarkt gedurende de beoogde bouw. Hierin moest wel voorzien worden, omdat anders de nieuwbouw niet mogelijk zou zijn. (rov. 19)
Gelet op een en ander bestond hoogstens een geringe – dat wil zeggen zeer kleine – kans dat, de onrechtmatige weigering weggedacht, de bouwvergunning fase II op 1 juni 2010 zou zijn verleend en de bouwplannen uiteindelijk zouden zijn gerealiseerd. Deze zeer kleine kans is te gering om – volgens de ‘leer van de kansschade’ – een schadevordering te kunnen toewijzen. (rov. 22)