ECLI:NL:HR:2019:356

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
14 maart 2019
Zaaknummer
18/00529
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:112 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over reclamebelasting gemeente Amsterdam 2013

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende aan belanghebbende opgelegde aanslagen reclamebelasting over 2013.

In het cassatieproces werden meerdere middelen door het College voorgesteld, terwijl belanghebbende een verweerschrift en een voorwaardelijk incidenteel beroep indiende. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het voorwaardelijke incidentele beroep verviel omdat het alleen ingesteld was voor het geval het principale beroep zou slagen, wat niet het geval was. De Hoge Raad veroordeelde het College in de proceskosten van belanghebbende en legde een griffierecht op aan het College.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere instanties en sluit het geschil over de reclamebelasting voor het jaar 2013 definitief af.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het College wordt ongegrond verklaard en het College wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

15 maart 2019
Nr. 18/00529
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdamte Amsterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 2 januari 2018, nr. BK/AMS 16/00461, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 15/168) betreffende aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslagen in de reclamebelasting van de gemeente Amsterdam.

1.Geding in cassatie

Het College heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Het College heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Het voorwaardelijke incidentele beroep

Aangezien het incidentele beroep kennelijk alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt het beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb.

4.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 508.