ECLI:NL:HR:2019:408

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2019
Publicatiedatum
21 maart 2019
Zaaknummer
18/03303
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag loonheffing

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2018, dat het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betrof. De zaak ging over een naheffingsaanslag loonheffing en een beschikking inzake heffingsrente over het tijdvak van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefden de klachten geen nadere motivering omdat zij niet relevant waren voor het beantwoorden van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken op 22 maart 2019 door de raadsheer Fierstra als voorzitter, samen met de raadsheren Wortel en Beukers‑van Dooren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

22 maart 2019
Nr. 18/03303
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 21 juni 2018, nr. 16/03337, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/6630) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 opgelegde naheffingsaanslag loonheffing en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.