Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2018, dat het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betrof. De zaak ging over een naheffingsaanslag loonheffing en een beschikking inzake heffingsrente over het tijdvak van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefden de klachten geen nadere motivering omdat zij niet relevant waren voor het beantwoorden van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken op 22 maart 2019 door de raadsheer Fierstra als voorzitter, samen met de raadsheren Wortel en Beukers‑van Dooren.