Belanghebbende uit België stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin het hoger beroep tegen een beschikking op grond van artikel 8a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen werd behandeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te rekenen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 22 maart 2019.