Belanghebbende, voormalig inwoner van Nederland en sinds 2012 woonachtig in België, diende verzoeken om ambtshalve vermindering in voor de jaren 2011 en 2012, die door de inspecteur werden afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren tegen deze afwijzingen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en verklaart deze bezwaren gegrond, maar handhaaft de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering vanwege te late indiening.
Voor het jaar 2013 was er een NiNbi-beschikking vastgesteld, waartegen bezwaar en beroep waren ingesteld. Na een gerechtshofuitspraak en bevestiging door de Hoge Raad werd een herziene NiNbi-beschikking uitgevaardigd met een bezwaarclausule. De rechtbank stelt vast dat deze herziene beschikking geen zelfstandig rechtsgevolg heeft en verklaart het bezwaar terecht niet-ontvankelijk, waardoor het beroep ongegrond is.
Belanghebbende maakte aanspraak op vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van circa twee jaar en kent een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe, samen met een proceskostenvergoeding van €47,60 en vergoedt het griffierecht voor de zaken over 2011 en 2012. Het beroep over 2013 leidt niet tot griffierechtvergoeding.
De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar over 2011 en 2012 en verklaart de bezwaren tegen afwijzing verzoeken om ambtshalve vermindering ongegrond, handhaaft de afwijzing en verklaart het beroep over 2013 ongegrond.