Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2018, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2014.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. Na het verstrijken van de termijn voor repliek diende belanghebbende nog aanvullende geschriften in, waarop de Hoge Raad geen acht sloeg.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad zag ook geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.