Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 maart 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak betreffende oplichting heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De kern van het geschil betrof de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep na een wijziging van het aanvangstijdstip van de terechtzitting. De verdachte stelde dat de dagvaarding nietig was omdat niet was gebleken dat de wijziging van het tijdstip aan hem was uitgereikt.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (RO) bepaalt dat de dagvaarding geldig blijft, ook als het aanvangstijdstip van de terechtzitting wordt gewijzigd naar een later moment op dezelfde dag. De wijziging was op verzoek van de raadsman van de verdachte doorgevoerd en de raadsman had de verdachte hierover geïnformeerd.
De Hoge Raad concludeerde dat de veronderstelling dat een dergelijke wijziging de dagvaarding nietig maakt, geen steun vindt in het recht. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen. Dit arrest bevestigt de geldigheid van dagvaardingen ondanks wijzigingen in de planning van de terechtzitting, mits de verdachte adequaat is geïnformeerd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de dagvaarding blijft geldig ondanks wijziging aanvangstijdstip terechtzitting.