Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, zoals bedoeld in art. 157 lid 1 Sr Pro.
De advocaat van verdachte heeft een schriftuur ingediend, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De raadsman heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 2 april 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gronden.