ECLI:NL:HR:2019:470

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2019
Publicatiedatum
1 april 2019
Zaaknummer
18/01020
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatie wegens niet-indienen middelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het beroep.

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Deze beslissing is genomen tijdens de openbare terechtzitting op 2 april 2019 door de Strafkamer van de Hoge Raad. De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van procedurele termijnen in cassatiezaken.

Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat de procedurele niet-ontvankelijkheid het beroep blokkeert. Dit arrest benadrukt de strikte toepassing van procesregels bij cassatie en de noodzaak voor een raadsman om tijdig schriftelijke middelen in te dienen.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

2 april 2019
Strafkamer
nr. S 18/01020
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 februari 2017, nummer 22/004409-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 april 2019.