Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte is in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij was veroordeeld voor gewoontewitwassen. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, bijgestaan door advocaten.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de strafduur en vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is.
Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege te late toezending van stukken door het hof en de lange duur van de cassatiefase. De Hoge Raad acht dit middel gegrond en constateert dat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Op grond hiervan vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot vier jaar en drie maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.