Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel aangezien de verdachte in Kaapverdië reeds onherroepelijk voor dezelfde feiten zou zijn veroordeeld, op ontoereikende gronden heeft verworpen.
3.3 Ne bis in idem
n de] ten laste gelegde periode kennelijk over de nodige geldbedragen kon beschikken om de bewezen verklaarde geldbedragen aan [betrokkene 3] te betalen.’
NJ2011/394 m.nt. Buruma heeft Uw Raad aangegeven dat bij de beoordeling of van hetzelfde feit sprake is (A) de juridische aard van de feiten en (B) de gedraging van de verdachte betrokken dienen te worden. In verband met de gedraging van de verdachte zijn daarbij zowel ‘de aard en kennelijke strekking van de gedragingen’ als ‘de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht’ van belang. Bovendien wordt in het middel niet gesteld dat de bewezenverklaring in Kaapverdië was gebaseerd op dezelfde bewijsmiddelen, maar wordt enkel verwezen naar een verweer inhoudend dat ‘onderzoeksresultaten uit Nederland’ tot het bewijs zijn gebezigd.
NJ2009/176. Dat arrest houdt in dat een buitenlandse rechterlijke veroordeling waarbij de verdachte straf is opgelegd geen veroordeling als bedoeld in art. 63 Sr Pro oplevert. [2] De stellers betogen dat inmiddels gedacht wordt dat deze beslissing van de Hoge Raad weleens in strijd met de artikelen 12 en 18 EG-Verdrag zou kunnen zijn en verwijzen daarbij naar een voetnoot (11) bij de noot van Klip onder HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1648,
NJ2009/346. Klip betoogt daar dat het arrest van 31 maart 2009 onjuist zou zijn: ‘Immers valt niet in te zien waarom een EU-burger wel zou kunnen profiteren van in Nederland gewezen vonnissen, maar niet van die vonnissen gewezen elders in de Europese Unie. De artikelen 12 en 18 EG-verdrag laten een dergelijke discriminatie niet toe’. [3]
NJ2015/256 m.nt. Keulen).
tweedemiddel klaagt dat het hof in het bewijs van de wetenschap van de criminele herkomst van geld heeft meegewogen dat medeverdachte [betrokkene 4] zich (als getuige) op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en/of geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd. Het oordeel van het hof dat ‘mede op grond daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf en verdachte daarvan op de hoogte was’ zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zijn. In het licht van de ter onderbouwing van het middel aangehaalde passage uit de nadere bewijsoverweging met betrekking tot feit 1, begrijp ik het middel zo dat het zich enkel keert tegen die bewezenverklaring. [4]
1. Een proces-verbaal van het KLPD, DNR, d.d. 8 mei 2009 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Een proces-verbaal van het KLPD, DNR, d.d. 24 april 2009 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als de op 24 april 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :
Vrijdag 6 februari 2009
Woensdag 11 februari 2009
Zaterdag 14 februari 2009
Dinsdag 17 februari 2009
Donderdag 19 februari 2009
Maandag 23 februari 2009
Dinsdag 24 februari 2009
over een half uur te zijn en vraagt of NN het kan tellen, alles bij elkaar kan doen en het dan naar beneden brengt, omdat hij geen tijd heeft het te controleren en NN vertrouwt. [betrokkene 3] zegt: het is toch 400? NN bevestigt dat.
Woensdag 25 februari 2009
Vrijdag 27 februari 2009
Dinsdag 3 maart 2009
Donderdag 5 maart 2009
Zaterdag 7 maart 2009
Maandag 16 maart 2009
Dinsdag 17 maart 2009
Donderdag 19 maart 2009
Vrijdag 20 maart 2009
Dinsdag 24 maart 2009
Vrijdag 27 maart 2009
Dinsdag 31 maart 2009
Donderdag 2 april 2009
Maandag 6 april 2009
Donderdag 9 april 2009
Woensdag 15 april 2009
Maandag 20 april 2009
Woensdag 22 april 2009
Donderdag 23 april 2009
Een ander geschrift, te weten een tapgesprek d.d. 4 mei 2009 om 13:46 uur, (…). Dit geschrift houdt in - zakelijk weergegeven -:
[e-mailadres 2], houdende een weergave van getallen en data).
6.2 Zaaksdossier [A-straat 1]
[WI028.F.3.1.014],dit betreft de zogenaamde 'balans van [betrokkene 10] ') en die over de bedragen die zijn doorbetaald (al dan niet via [betrokkene 4] ) aan [verdachte] / [verdachte] (beslagcode
[WI028.F.3.1.012],in eerder genoemd gesprek wordt gesproken over 'wat ik [verdachte] heb gegeven'). Ook is er een e-mail d.d. 4 mei 2009 die blijkens de getapte gesprekken door [betrokkene 1] in de mailbox van [e-mailadres 2] is gezet en waar de opgehaalde bedragen ook op staan vermeld.
derdemiddel betoogt dat de redelijke termijn van de berechting is geschonden. De stukken van het geding zijn niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van Uw Raad gezonden.