Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Procesverloop
4.Beoordeling van de aanvraag
HvJ EU.
5.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een onherroepelijk arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch uit 2009, waarin de aanvrager was veroordeeld wegens opzettelijke overtreding van artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. De aanvraag berustte op de stelling dat indien het Hof bekend was geweest met een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) uit 2014, de zaak tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging had moeten leiden.
De Hoge Raad onderzocht of het Unierecht vereist dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening wordt uitgebreid zodat ook strijdigheden met het Unierecht na onherroepelijkheid van een strafrechtelijke veroordeling een grond voor herziening kunnen vormen. Hierbij werd uitgebreid ingegaan op het arrest van het HvJ EU van 24 oktober 2018 (zaak C-234/17), waarin werd geoordeeld dat het Unierecht niet verplicht tot een dergelijke uitbreiding.
De Hoge Raad concludeerde dat nieuwe of gewijzigde rechtspraak, ook van het HvJ EU, geen novum vormt in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv, en dat het Unierecht niet vereist dat het bijzondere rechtsmiddel herziening wordt uitgebreid tot schendingen van het Unierecht. De aanvraag werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen. Tevens zag de Hoge Raad geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af omdat het Unierecht niet verplicht tot uitbreiding van herzieningsgronden na onherroepelijkheid.