Belanghebbende, gevestigd in Zuid-Afrika, ontving op 22 maart 2013 een dividenduitkering van een Nederlandse BV waarin zij deelnam. Over deze uitkering werd vijf procent dividendbelasting ingehouden en afgedragen. Belanghebbende verzocht om teruggaaf van deze dividendbelasting, maar de Inspecteur wees dit verzoek af.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg van artikel 10, lid 10, van het belastingverdrag tussen Nederland en Zuid-Afrika, de zogenoemde meestbegunstigingsclausule (MFN-clausule). Deze clausule bepaalt dat indien Zuid-Afrika met een derde land een later gesloten verdrag heeft dat een lager tarief of vrijstelling van dividendbelasting bevat, dit tarief ook van toepassing is op het verdrag met Nederland.
De Hoge Raad bevestigde dat het protocol tussen Zuid-Afrika en Zweden uit 2010, dat een vrijstelling van dividendbelasting bij deelnemingsverhoudingen bevat, als een later gesloten verdrag met een derde land geldt. Dit protocol leidt ertoe dat Zuid-Afrika zich heeft verbonden geen belasting te heffen over uitgaande dividenden naar Zweden, en dat deze beperking ook geldt jegens Nederland op grond van de MFN-clausule. De Hoge Raad verwierp het verweer van de Staatssecretaris dat deze uitleg niet juist zou zijn en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten voor het cassatieberoep en bevestigde de teruggaaf van dividendbelasting aan belanghebbende.