Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
can have its cake and eat it: Nederland houdt of herkrijgt de verdragsdeelnemingsvrijstelling die hij juist zou opgeven en krijgt desondanks ook al hetgeen hij van Zuid-Afrika bij protocol bedongen had juist om die vrijstelling op te geven. Dat is een bevreemdend resultaat en de Zuid-Afrikaanse regering zal zich dat denkelijk niet voorgesteld hebben bij het geven van concessies om de verdragsdeelnemingsvrijstelling juist opgeheven te krijgen en evenmin bij het overeenkomen van het wijzigingsprotocol met Zweden. Dat resultaat staat mijns inziens op gespannen voet met hetgeen de verdragspartijen klaarblijkelijk wilden bereiken: opheffing van de inhoudingsvrijstelling in ruil voor bepaalde concessies aan Nederland. Ik acht waarschijnlijk dat de door de fiscus in het geding gebrachte brieven van de Zuid-Afrikaanse belastingdienst de intenties en verwachtingen van de Zuid-Afrikaanse verdragsonderhandelaars weergeven zoals die waren ten tijde van de verdragsonderhandelingen.
2.De feiten, het geschil en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
“limits its taxation on dividends (...) to a rate lower including exemption from taxation or taxation on a reduced taxable base, than[5%- rechtbank]” duiden er immers op dat de verdragsluitende partijen niet een enge invulling van het begrip
‘a rate lower than’voorstonden maar het oog hadden op het feitelijk van toepassing zijnde tarief.
Trb.2008, 147 tot wijziging van het verdrag NL-ZA en het protocol van 18 maart 2012 tot wijziging van het belastingverdrag Zuid-Afrika - Zweden (het protocol ZA-Z) kunnen worden gekwalificeerd als ‘verdrag tot het vermijden van dubbele belasting’ in de zin van art. 10(10) Verdrag. Evenmin is in geschil dat het Weense Verdragenverdrag [6] van belang is voor de uitleg van de MFN clausule en dat Zuid-Afrika per 1 april 2012 een bronheffing over uitgaande dividenden heeft ingevoerd.
3.Het geding in cassatie
verweerdat de Staatssecretaris niet voor het eerst in cassatie kan aanvoeren dat de vrijstellingen van bronheffing op dividenden in de verdragen van Zuid-Afrika met Cyprus en Oman met terugwerkende kracht zijn vervallen. Volgens haar heeft de Zuid-Afrikaanse (hoogste) rechter zich ook nog niet uitgelaten over de toelaatbaarheid van die terugwerkende kracht:
4.De Verdragsteksten en -toelichtingen
Belastingverdrag Nederland – Zuid-Afrika
Explanatory memorandum of the Protocol amending the double taxation convention between the Government of the Republic of South Africa and the Government of the Kingdom of the Netherlands: [15]
5.Uitleg van belastingverdragen
travaeuxunder the names of ‘modifying practice’ or ‘repealing practice’. There exists an uncertainty in this domain, of which the case law seems to be wary, though it is not completely rejected by certain courts. [30]
BNB2003/177 [32] dat een later OESO-commentaar een ‘supplementary means of interpretations’ kan zijn (ik laat voetnoten weg):
BNB1991/248 [33] legde u een OESO-Modelconforme belastingverdragsbepaling (met België) tekstueel uit met voorbijgaan aan de nationale kwalificatie, overwegende dat geen van de tekst afwijkende bedoeling bleek uit (i) het opschrift boven de desbetreffende bepaling, (ii) de toelichting van de Verdragspartijen, of (iii) enige andere verdragsbepaling:
BNB1994/259, [34] betreffende door de Nederlandse fiscus gewenste doorwerking van
fraus legisnaar de verdragskwalificatie van een voordeel leid ik af dat een van de tekst afwijkende gemeenschappelijke bedoeling van de verdragsluitende Staten moet volgen uit de tekst van het verdrag of uit de toelichtingen van hun regeringen aan hun parlementen:
BNB2017/91 [36] de gezamenlijke Executieven niet een bevoegdheid toe om een regeling te treffen die ten nadele van belastingplichtigen afdoet aan de Verdragstekst zoals die door u is uitgelegd:
BNB2000/16 was een inwoner van Nederland die in 1993 voor zijn Nederlandse werkgever 93 dagen in Duitsland verbleef. Het genoemde besluit leidde voor hem tot ongunstiger resultaat dan het Verdrag. Over de rechtskracht van dit besluit overwoog u:
debunkedmoet worden. Uitleg van verdragen is niet significant anders dan uitleg van andere juridische teksten:
6.Behandeling van het middel
anterieurZuid-Afrikaans verdrag (nl. dat met Koeweit), terwijl de MFN-clausule alleen op
nieuwevrijstellingen c.q. verdragen ziet. Volgens de belanghebbende en de feitenrechters daarentegen houdt het verdragsposterieure protocol ZA-Z in dat Zuid-Afrikaanse deelnemingsdividenden tot nader order zijn vrijgesteld van bronheffing (en daarmee naar een lager tarief dan 5% belast worden), en doet niet ter zake dat die vrijstelling mogelijk tijdelijk is en veroorzaakt wordt door een verdrag tussen Zuid-Afrika en Koeweit dat stamt van vóór het Verdrag NL-ZA. Anders gezegd: de Staatssecretaris ziet primair geen verdragsposterieure maar een ‘oude’ vrijstelling jegens een derde Staat en kijkt subsidiair door het protocol ZA-Z heen naar daarin genoemde andere Zuid-Afrikaanse belastingverdragen met een deelnemingsvrijstelling en vraagt zich af of
dieverdragen van vóór of na het Verdrag NL-ZA stammen, terwijl de belanghebbende en de feitenrechters ophouden bij het protocol ZA-Z, dat zij als een nieuwe (verdragsposterieure) verdragsdeelnemings-vrijstelling beschouwen. De Staatssecretaris ziet het protocol ZA-Z dus als een doorgeefluik en als een tijdelijke voortzetting van de oude vrijstelling tussen Zuid-Afrika en Zweden als overgangsmaatregel naar een 5%-inhoudingsregime; de belanghebbende daarentegen ziet het protocol ZA-Z als een zelfstandig nieuw verdrag, althans als een nieuwe deelnemingsvrijstelling die art. 10(10) Verdrag NL-ZA activeert.
can have its cake and eat it, want in die uitleg behoudt of herkrijgt hij de verdragsdeelnemingsvrijstelling die hij juist opgaf en krijgt hij desondanks alle concessies die hij van Zuid-Afrika bij protocol bedongen had juist om die vrijstelling op te geven. Dat levert in elk geval een diplomatiek ongemakkelijke situatie op die de Staatssecretaris juridisch vertaalt als probleem van ‘goede verdragstrouw’: de Zuid-Afrikaanse regering zal Nederland mogelijk als een minder betrouwbare verdragspartner zien als zij Nederland concessies doet juist om hem te doen afzien van de verdragsdeelnemingsvrijstelling en Nederland daar vervolgens niet van af blijkt te zien op grond van een voor de Zuid-Afrikaanse regering onvoorzienbare interpretatie van de juist in het kader van de opheffing van de vrijstelling overeengekomen MFN-clausule.
can have its cake and eat it), op gespannen voet staat met hetgeen de verdragspartijen klaarblijkelijk wilden bereiken: opheffing van de inhoudingsvrijstelling in ruil voor bepaalde concessies aan Nederland. Ik acht het onwaarschijnlijk dat de Zuid-Afrikaanse regering het protocol met Zweden zou zijn overeengekomen zoals zij het is overeengekomen als zij erop bedacht was geweest dat Nederland dat Zweedse protocol zou aangrijpen om art. 10(10) Verdrag NL-ZA zo uit te leggen als de feitenrechters hebben gedaan. Ik acht het waarschijnlijk dat de boven geciteerde brieven van de Zuid-Afrikaanse belastingdienst de intenties en verwachtingen van de Zuid-Afrikaanse verdragsonderhandelaars correct weergeven zoals die waren ten tijde van de protocolonderhandelingen met zowel Nederland als Zweden. De Zuid-Afrikanen zullen denkelijk gemeend hebben met Zweden en Nederland hetzelfde resultaat bereikt te hebben, nl. opheffing van de vrijstelling, zij het met verschillende tegenprestaties omdat Nederland en Zweden verschillende tegenprestaties wensten: Nederland wenste de in 4.5 hierboven opgesomde concessies; Zweden daarentegen wenste de laatste verdragspartner te zijn die de vrijstelling zou opgeven.
ius cogensweergeven. De MFN-bepaling van art. 10(10) Verdrag NL-ZA moet dus “te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.” [44] Dat zegt echter niet veel c.q. dat hadden we al gedacht en moet niet mechanistisch worden opgevat (zie het citaat van Brian Arnold in 5.10). Het gaat om het vinden van de verstandigste uitleg, i.e. de uitleg die strookt, althans verenigbaar is met de tekst, strookt met de kenbare of kennelijke bedoelingen van de verdragspartijen, strookt met de context van de (her)onderhandelingen en van het verdrag als geheel en leidt tot de - gezien die drie elementen - meest aannemelijke en redelijke uitkomst.
BNB2000/16 (zie 5.9) en HR
BNB2017/91 (zie 5.8) volgt dat zo’n onderlinge overeenstemming de rechter niet ontslaat van de verplichting om het Verdrag zelfstandig uit te leggen en dat een onderling-overlegbepaling de Executieven niet de bevoegdheid geeft om een regeling te treffen die ten nadele van de belastingplichtige afdoet aan hetgeen de verdragsluitende Staten volgens de rechter zijn overeengekomen. Maar die brieven wijken mijns inziens dus
nietaf van een met de tekst en context heel wel verenigbare uitleg van de MFN-bepaling in het Verdrag NL-ZA volgens het standpunt van de fiscus.