Uitspraak
gevestigd te Arnhem,
zetelende te Arnhem,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
12 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak vordert Brachium B.V. in cassatie tegen de Provincie Gelderland de afgifte van bankrekeningafschriften. De vordering is gebaseerd op het vermoeden van een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad, specifiek wegens selectieve betaling.
De procedure doorliep de voorzieningenrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij laatstgenoemde het verzoek van Brachium heeft afgewezen. Brachium stelde dat zij een rechtmatig belang had bij de afgifte van de bankafschriften om haar vordering te onderbouwen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 13 november 2015 en HR 9 december 2016) over de maatstaf voor het aannemen van een rechtsbetrekking en het vereiste rechtmatig belang bij een vordering tot afgifte van bankafschriften. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van Brachium niet leiden tot cassatie en verwerpt het beroep zonder nadere motivering.
De Hoge Raad veroordeelt Brachium tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt bevestigd dat een vordering tot afgifte van bankafschriften slechts kan slagen indien er een voldoende aannemelijk rechtmatig belang bestaat, hetgeen in deze zaak niet is vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Brachium wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.