Conclusie
AIB/Novisem-criterium.
1.Feiten en procesverloop
mogelijke relevante digitale bestanden zich bevindende op de in het bedrijfspand aanwezige computers (...), welke data zijn gekopieerd op een usb;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding/opbouw bestreden arrest
AIB/Novisem-criterium. [12]
AIB/Novisem-criterium en de rol die deze maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad speelt in het kader van inzagevorderingen uit hoofde van art. 1019a Rv en art. 843a Rv.
JOR2019/28 m.nt. J.R. Sijmonsma (
Syngenta), onder 2.17 tot en met 2.21.
Abu Dhabi Islamic Bank/ABN AMRO) heeft overwogen dat noch uit de tekst van art. 843a Rv, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel voortvloeit dat voor toewijsbaarheid van de vordering tevens noodzakelijk is dat over de rechtsbetrekking waaromtrent afschrift van bescheiden wordt verlangd een procedure aanhangig is of naar verwachting zal worden gemaakt, dan wel dat een zodanige procedure, indien deze aanhangig zou worden gemaakt, in Nederland zal worden gevoerd. [20]
Kamerstukken II1999/2000, 26 855, nr. 5, p. 78-79) valt hieronder ook een verbintenis uit onrechtmatige daad. Daarom is expliciet aansluiting gezocht bij artikel 843a, door in artikel 1019a aan te geven op welke punten in zaken van intellectuele eigendom artikel 843a wordt aangevuld. Ter bevestiging van hetgeen eerder in de parlementaire geschiedenis is vermeld, is in artikel 1019a, eerste lid, aangegeven dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a. Een belangrijke aanvulling op artikel 843a is de mogelijkheid om niet alleen inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden te kunnen vorderen, maar ook overlegging van ander bewijsmateriaal dat zich in de macht van de wederpartij bevindt (artikel 1019a, tweede lid). Bij procedures omtrent intellectuele-eigendomsrechten gaat het immers vooral om inbreukmakende voorwerpen.” [26]
AIB/Novisem, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de hiervoor opgenomen passages uit de parlementaire geschiedenis, overwogen dat “uit deze passages alsook uit de verdere inhoud van de MvT, blijkt dat de wetgever enerzijds niet heeft beoogd de houder van een recht van intellectuele eigendom een hoger beschermingsniveau te bieden dan de Handhavingsrichtlijn in art. 6 voorschrijft Pro en anderzijds van oordeel was dat art. 843a Rv, voor zover het gaat om de door die bepaling bedoelde bescheiden, al in de door art. 6 van Pro de richtlijn voorgeschreven bescherming voorziet.” [27] Vervolgens heeft de Hoge Raad in dit arrest over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv het volgende overwogen:
AIB/Novisem-arrest, waar het volgende door de Hoge Raad wordt overwogen:
AIB/Novisem-arrest is bevestigd in het arrest
Synthon/Astellas. [29] Deze zaak, die eveneens een beweerde IE-inbreuk betrof, leidde tot prejudiciële vragen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De eerste prejudiciële vraag aan de Hoge Raad luidde als volgt: [30]
AIB/Novisem-arrest. [31] Vervolgens overwoog de Hoge Raad het volgende:
Organik/Dow [33] ging het over een inzagevordering op de voet van art. 843a Rv waaraan een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad, bestaande uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, ten grondslag is gelegd. De Hoge Raad overweegt over de toe te passen maatstaf op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen het volgende:
NJ2016/491, rov. 4.1.5 (
AIB/Novisem), en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834,
NJ2017/22, rov. 3.2.1-3.2.2 (
Synthon/Astellas), een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf leent zich ook voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn. Dat betekent dat ook in dat geval degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden dient te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal dient te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat bedrijfsgeheimen onrechtmatig zijn verkregen en gebruikt.
AIB/Novisem-maatstaf ook van toepassing is bij een inzagevordering op de voet van art. 843a Rv, waaraan een verbintenis uit onrechtmatige daad ten grondslag is gelegd.
Organik/Dow-arrest was gewezen) dat de in IE-zaken aanvaarde maatstaf zich voor bredere toepassing leent, ook buiten het IE-recht en dat de feitenrechtspraak volgens hem ook meer dan eens laat zien dat voor toewijzing van een vordering tot inzage ook in niet-IE-zaken vereist is dat de vordering ten gronde aannemelijk is. [34] Naar aanleiding van het
AIB/Novisem-arrest merkt Ekelmans over de vraag of dezelfde eisen aan aannemelijkheid van de feitelijke grondslag in IE-zaken en niet-IE-zaken gelden, het volgende op: [35]
AIB/Novisem-maatstaf ook moet worden toegepast bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv, [37] meent hij dat inmiddels – met het
Organik/Dow-arrest – het antwoord duidelijk is. [38] Volgens Sijmonsma is de maatstaf die moet worden gehanteerd om vast te stellen of voldoende sprake is van een rechtsbetrekking in die zin van art. 843a Rv inderdaad de voldoende aannemelijkheid. Hij onderbouwt dit standpunt aan de hand van de volgende drie argumenten, die volgens hem in onderling verband en samenhang moeten worden bezien:
Organik/Dowomdat de Hoge Raad hierin volgens hem – zonder wettelijke grondslag – een zwaardere maatstaf voor inzage in bedrijfsgeheimen-zaken introduceert dan voor andere niet-IE-zaken. Hij kan dit alleen verklaren doordat de Hoge Raad tussen zaken over bedrijfsgeheimen en IE-zaken een grote gelijkenis ziet, die gelijkstelling van de inzagedrempel rechtvaardigt. Maas vraagt zich vervolgens af welke andere gevallen er zijn die voldoende gelijkenis vertonen met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. van toepassing is. [41] Hij verwijst ook naar de memorie van toelichting van het in 2017 ingetrokken wetsvoorstel 33 079. Dit wetsvoorstel tot herziening van het inzagerecht is in november 2011 bij de Tweede Kamer ingediend en in november 2017 ingetrokken met als redengeving dat “gebleken is dat een nieuwe regeling voor het inzagerecht niet op zichzelf kan worden bezien, maar moet passen in de brede context van het bewijsrecht”. [42] In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 33 079 is het volgende opgemerkt: [43]
onvoldoendegelijkenis tonen met IE-zaken dus vele malen lichter blijkt. [44]
bewijsmateriaaldat meer kan omvatten dan materiaal waarop een inzagerecht bestaat; de grens van voldoende bepaaldheid van art. 843a Rv, die niet geldt voor art. 1019a Rv en het bepaalde in het derde lid van art. 1019a Rv (het buiten toepassing verklaren van art. 843a lid 4 Rv). [45]
AIB/Novisemvooralsnog niet in het commune recht behoeft te worden overgenomen. De desbetreffende passages uit het advies luiden als volgt:
aparteeis van voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het IE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. [51] Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (
Synthon/Astellas), samengevat in r.o. 3.3.4, namelijk ‘
dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het “rechtmatig belang” de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is, of indien de exhibitie verlangende partij ook andere effectieve, maar voor de verweerder minder belastende middelen tot bewijsgaring ten dienste staan (zoals een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht)’. (…)
AIB/Novisemin IE-zaken worden gesteld voor de stelplicht ten aanzien van de rechtsbetrekking in het kader waarvan het bewijsbeslag wordt verzocht. Die eisen sluiten aan bij de Europese rechtspraak in IE-zaken en vooralsnog zien wij geen noodzaak daarbij in het commune recht aan te sluiten, nu die eisen ook niet gelden voor de vordering tot inzage op grond van art. 843a Rv. Verwezen wordt naar wat wij hebben opgemerkt in par. 3.5.8.”
AIB/Novisemzich voor toepassing buiten het IE-recht leent, [52] becommentarieert het advies van de expertgroep op dit punt als volgt: [53]
AIB/Novisemin IE-zaken worden gesteld voor de stelplicht ten aanzien van de rechtsbetrekking in het kader waarvan het bewijsbeslag wordt verzocht” vooralsnog niet in het commune recht behoeft te worden overgenomen, “nu die eisen ook niet gelden voor de vordering tot inzage op grond van art. 843a Rv.” [63]
AIB/Novisem-criterium ook buiten het IE-recht geldt. Het onderdeel richt zich tegen de rov. 6.5.11 tot en met 6.5.17 [65] , waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (ik citeer tevens rov. 6.5.5):
AIB/Novisem-criterium (van voldoende aannemelijkheid van de inbreuk op een IE-recht) heeft aangelegd. Het subonderdeel klaagt vervolgens, zakelijk en verkort weergegeven, dat het hof dit criterium in de rov. 6.5.11 tot en met 6.5.17 ten onrechte ook buiten IE-zaken aanlegt, althans te zware eisen stelt voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv, voor zover de gestelde rechtsbetrekking (in de zin van art. 843a Rv) een onrechtmatige daad is, en voor zover Semtex zich beroept op de schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen. [66] Subonderdeel Ibvoegt daaraan toe dat, indien het hof dit niet heeft miskend, het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom van Semtex mocht worden verlangd, de gestelde, althans vermoede, onrechtmatige daad en de aangevoerde schending van de genoemde arbeidsrechtelijke bepalingen, voldoende aannemelijk te maken.
AIB/Novisem-maatstaf in dat de eiser die zich voor zijn exhibitievordering op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv op een rechtsbetrekking beroept die mede de grondslag voor het inzagerecht vormt, bij gemotiveerde betwisting, voldoende aannemelijk moet maken dat die rechtsbetrekking bestaat. [67] Deze maatstaf leent zich, aldus het arrest
Organik/Dow, voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn. [68]
AIB/Novisem-maatstaf buiten het IE-recht kan worden toegepast op alle onrechtmatige daad-rechtsbetrekkingen. [69] Het standpunt van de wetgever dienaangaande is evenmin bekend.
Organik/Dow-arrest) wordt er verschillend over gedacht. Samengevat zijn er voorstanders van toepassing van deze maatstaf in alle gevallen waarin moet worden vastgesteld of sprake is van een rechtsbetrekking in die zin van art. 843a Rv (zie Ekelmans [70] en Sijmonsma [71] ). Daarnaast wordt verdedigd dat uit het
Organik/Dow-arrest kan worden afgeleid dat de
AIB/Novisem-maatstaf ook buiten het IE-recht geldt, maar alleen in gevallen die
voldoende gelijkenisvertonen met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. Rv van toepassing is (zie Maas [72] ).
Organik/Dow-arrest het einde markeert aan de uitbreiding van de
AIB/Novisem-maatstaf buiten het IE-recht, zodat toepassing van die maatstaf buiten het IE-recht alleen aan de orde is indien een rechtsbetrekking voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen.
Organik/Dow-arrest uitdrukkelijk is toegespitst op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, en dat rov. 6.2.4 [73] in een andere context dient te worden gelezen.
AIB/Novisem-maatstaf zich buiten het IE-recht voor toepassing leent, met zoveel woorden een onderscheid gemaakt tussen een rechtsbetrekking die voortvloeit uit onrechtmatige daad of uit overeenkomst. Sijmonsma en Ekelmans lijken – als ik hen goed heb begrepen – ervan uit te gaan dat het onderscheid daartussen geen enkele rol speelt bij de vraag of de
AIB/Novisem-maatstaf ook buiten het IE-recht kan worden toegepast.
AIB/Novisem-maatstaf voor alle rechtsbetrekkingen te laten gelden. Dat deze maatstaf in IE-zaken geldt, is terug te voeren op de Handhavingsrichtlijn (en het TRIPS-verdrag). De uitbreiding die de Hoge Raad in het arrest
Organik/Dowheeft gegeven, betreft een aparte categorie zaken, die volgens sommigen in de visie van de Hoge Raad verwant is aan de regeling van 1019 e.v. Rv. Maar dat brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat voor alle overige rechtsbetrekkingen ook de zwaardere maatstaf zou moeten gelden. [76]
AIB/Novisem-criterium bij de beoordeling van
elke843a-vordering zou moeten worden aangelegd, een te zware maatstaf geldt in het geval de inzagevordering is ingesteld teneinde de proceskansen in te schatten. Het is m.i. een voor de eiser te zware maatstaf om een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk te maken indien de inzagevordering ertoe strekt te achterhalen of er een rechtsbetrekking is.
AIB/Novisem-maatstaf kan men zich – nog los van de vraag in welke gevallen deze buiten het IE-recht kan worden toegepast – bovendien nog afvragen wat voldoende aannemelijk moet worden gemaakt. Ziet deze maatstaf op het voldoende aannemelijk maken van het bestaan van de rechtsbetrekking? Of heeft de maatstaf ook invloed op andere vereisten voor toewijzing van de inzagevordering zoals het rechtmatig belang? De rechtspraak [77] en de hiervoor weergegeven literatuur leveren een diffuus beeld op.
AIB/Novisem-maatstaf van toepassing.
AIB/Novisem-maatstaf ook toegepast op de gestelde schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen.
AIB/Novisem-maatstaf zich niet leent voor andere buiten het IE-recht gelegen rechtsbetrekkingen dan de rechtsbetrekkingen die voortvloeien uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen. De grens is m.i. derhalve getrokken in het arrest
Organik/Dow.
AIB/Novisem-maatstaf zich leent voor (a) toepassing op alle onrechtmatige daadsbetrekkingen buiten het IE-recht of (b) dat voldoende gelijkenis met gevallen geregeld in art. 1019 e.v. Rv is vereist dan wel (c) genoemde maatstaf buiten het IE-recht bij alle mogelijke rechtsbetrekkingen geldt, (voldoende) inzicht dienen te geven in de gedachtegang op grond waarvan het toch van oordeel was dat deze maatstaf ook ten aanzien van de schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen van toepassing is.
onderdeel IIsomt het hof in de bestreden rov. 6.5.9 de volgende door Semtex genoemde feiten en omstandigheden op, waarbij in het onderdeel de volgende aanduiding met letters wordt gehanteerd: