Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
12 april 2019.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieprocedure waarin de verzoeker, aangeduid als de vader, beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het verzoekschrift werd op 2 januari 2019 ingediend, maar was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker. Hoewel de verzoeker schriftelijk op deze conclusie reageerde, werd deze reactie niet door een advocaat ingediend, waardoor de Hoge Raad hieraan geen acht sloeg.
De Hoge Raad overwoog dat het verzuim van het ontbreken van een advocaatsondertekening hersteld had kunnen worden door het verzoekschrift binnen twee weken opnieuw in te dienen met de vereiste ondertekening. Omdat van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, werd de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.
De beschikking werd op 12 april 2019 door de Hoge Raad gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.V. Polak. Hiermee werd het cassatieberoep van de verzoeker definitief afgewezen wegens procedurele niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsondertekening op het cassatieverzoekschrift.