ECLI:NL:PHR:2022:807

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
9 september 2022
Zaaknummer
22/01946
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 407 lid 1 RvArt. 30c lid 1 RvArt. 30c lid 6 RvArt. 13 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep zonder advocaat in verzoekprocedure afgewezen

Verzoekster, moeder van een meerderjarige dochter met een verstandelijke beperking en andere aandoeningen, stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden zonder tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. Het hof had eerder de kantonrechterlijke beschikking bekrachtigd waarin het verzoek van verzoekster tot ontslag van de bewindvoerder als mentor werd afgewezen.

De griffie van de Hoge Raad wees verzoekster op het ontbreken van de vereiste procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad en gaf haar de mogelijkheid dit binnen twee weken te herstellen. Verzoekster gaf aan geen advocaat bereid te vinden en beriep zich op het VN-gehandicaptenverdrag en het recht op een eerlijk proces.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep in burgerlijke zaken alleen ontvankelijk is indien ingesteld door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in artikel 426a lid 1 Rv en artikel 407 Rv Pro. Het ontbreken van deze vertegenwoordiging leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij binnen de gestelde termijn herstel plaatsvindt, wat hier niet is gebeurd.

De Hoge Raad wijst verzoeksters beroep op het VN-gehandicaptenverdrag en grondwettelijke rechten af, omdat deze niet afdoen aan de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie. Ook het subsidiaire beroep op cassatie in het belang der wet kan alleen door de Procureur-Generaal worden ingesteld.

Daarom wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01946
Zitting9 september 2022
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
[verzoekster]
tegen
[de bewindvoerder] B.V.
Deze conclusie betreft de ontvankelijkheid van een cassatieberoep dat is ingesteld zonder tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij brief houdende ‘cassatieverzoek subsidiair een middel tot cassatie in het belang van de wet’, binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 15 april 2022 [1] (hierna:
de procesinleiding), [2] heeft [verzoekster] (hierna:
[verzoekster]) zonder tussenkomst van een advocaat of andere gemachtigde cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 18 januari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna:
de bestreden beschikking). [3]
1.2
[verzoekster] is de moeder van een meerderjarige dochter met een licht verstandelijke beperking, autisme en triple-X-syndroom, alsmede een post traumatische stress-stoornis (PTSS) door ervaringen in haar kindertijd (hierna:
de dochter). [4] Bij beschikking van 12 juni 2017 van de kantonrechter is een mentorschap ten behoeve van de dochter ingesteld, alsmede een bewind ingesteld over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die de dochter (zullen) toebehoren. Daarbij heeft de kantonrechter [de bewindvoerder] B.V. (hierna:
[de bewindvoerder]) tot bewindvoerder en mentor benoemd. [5] In november 2020 heeft [verzoekster] verzocht [de bewindvoerder] ontslag te verlenen als mentor en [betrokkene 1] tot mentor te benoemen. Subsidiair heeft [verzoekster] verzocht [betrokkene 1] als tweede mentor te benoemen. Bij beschikking van 1 april 2021 heeft de kantonrechter het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afgewezen. [6] In de bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
1.3
Bij brief van 22 april 2022 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [verzoekster] bericht dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, te weten door indiening van een procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die [verzoekster] in het geding zal vertegenwoordigen. De griffie van de Hoge Raad heeft in de brief erop gewezen dat het verzuim kan worden hersteld door binnen twee weken na binnenkomst (dus uiterlijk op 29 april 2022) dezelfde procesinleiding opnieuw in te dienen, maar nu door een advocaat bij de Hoge Raad en via het webportaal van de Hoge Raad.
1.4
Bij brief van 29 april 2022 heeft [verzoekster] aan (de griffie van) de Hoge Raad te kennen gegeven te persisteren in haar cassatieberoep. Zij heeft aangegeven dat zij circa 80 advocaten bij de Hoge Raad heeft gevraagd de procesinleiding in te dienen, en dat zij hierop 25 negatieve reacties heeft ontvangen. Ook heeft de Deken van de Haagse Orde van Advocaten geweigerd een advocaat aan te wijzen. [verzoekster] acht dit in strijd met de (internationale) eisen van een eerlijk proces en tevens in strijd met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna:
VN-gehandicaptenverdrag). [7]

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
De vraag die moet worden beantwoord is of [verzoekster] ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Een cassatieberoep in een burgerlijke zaak kan alleen worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. [8] In een verzoekprocedure, zoals deze procedure, moet het cassatieberoep op grond van artikel 426a lid 1 Rv worden aangebracht bij een procesinleiding, die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De procesinleiding moet op grond van artikel 30c in verbinding met artikel 426a lid 1 Rv langs elektronische weg worden ingediend. Daarvoor is het webportaal van de Hoge Raad aangewezen. [9] Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het niet in acht nemen van deze voorschriften tot niet-ontvankelijkheid van verzoek(st)er tot cassatie in zijn of haar cassatieberoep. [10] Dat is alleen anders indien de verzuimen zijn hersteld doordat dezelfde procesinleiding met inachtneming van de voorschriften opnieuw is ingediend. In dat verband hanteert de Hoge Raad een termijn van twee weken. [11]
2.2
Herstel heeft in deze procedure niet plaatsgevonden.
2.3
Voor zover [verzoekster] ervan uitgaat dat zij op grond van artikel 6 EVRM Pro en/of artikel 17 Grondwet Pro recht heeft op een inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad van de klachten in de door haar zonder tussenkomst van een advocaat ingediende procesinleiding, vindt haar standpunt geen steun in het recht. Ik verwijs hiervoor naar een conclusie van Advocaat-Generaal Hartlief, [12] die op zijn beurt verwijst naar twee conclusies van plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer. [13] Hieruit volgt – kort samengevat en voor zover relevant – het volgende: [14]
- gelet op de bijzondere aard van de cassatieprocedure accepteert het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna:
het EHRM) dat in het nationale recht aan rechtzoekenden de eis wordt gesteld dat zij zich in cassatie laten bijstaan door een daartoe gekwalificeerde cassatieadvocaat;
- het Nederlandse stelsel van verplichte procesvertegenwoordiging en gefinancierde rechtsbijstand in cassatie is in lijn met de EHRM-rechtspraak. Artikel 426a lid 1 Rv schrijft, evenals art. 407 Rv Pro, voor dat cassatieberoep wordt ingesteld door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad is dit vereiste niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De omstandigheid dat de rechtzoekende niet erin is geslaagd een advocaat bereid te vinden om cassatieberoep voor hem in te stellen, rechtvaardigt volgens de Hoge Raad geen uitzondering op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie;
- bij de herziening van het cassatieprocesrecht is door de wetgever benadrukt dat de advocaat bij de Hoge Raad mede de functie heeft om door middel van het cassatieadvies te voorkomen dat de Hoge Raad met kansloze zaken wordt overvoerd. Ook de tuchtrechter voor advocaten gaat ervan uit dat het instellen van kansloze cassatieberoepen in strijd is met de gedragsnorm voor advocaten;
- de advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het aannemen en behandelen van zaken. Hij mag – en moet soms – dienst weigeren, mits op goede gronden en rekening houdend met de belangen van de cliënt, dus tijdig en zonder de cliënt onnodig op kosten te jagen;
- artikel 13 Advocatenwet Pro bepaalt dat de rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem de nodige rechtsbijstand te verlenen, aan de Deken van de Orde van Advocaten kan verzoeken een advocaat aan te wijzen (lid 1), in welk geval de aangewezen advocaat verplicht is zijn diensten te verlenen (lid 4). Ook bij deze vorm van ‘contractdwang’ verliest de advocaat niet zijn positie van ‘dominus litis’. Hij mag zich aan de zaak onttrekken als deze, na bestudering, onhoudbaar blijkt te zijn. Procesvertegenwoordiging is, met andere woorden, niet een door de wet opgedragen ambtsplicht; en
- artikel 17 Grondwet Pro houdt niet in dat een wet in formele zin, zoals het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen vormvereisten zou mogen stellen aan een procesinleiding, zoals het vereiste (in de artikelen 407 Rv en 426a lid 1 Rv) van tussenkomst door een cassatieadvocaat. Evenmin behelst deze grondwetsbepaling een verbod van wettelijke maatregelen om kansloos te achten klachten weg te houden bij de cassatierechter dan wel deze op een vereenvoudigde wijze af te doen. Voorts staat artikel 120 Grondwet Pro in de weg aan een toetsing door de rechter van het bepaalde in de artikelen 407 en 426a Rv aan artikel 17 Grondwet Pro.
2.4
Ook het beroep van [verzoekster] op het VN-gehandicaptenverdrag leidt niet tot een ander oordeel. Dit verdrag heeft tot doel de bevordering, bescherming en waarborging van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid, alsmede de bevordering van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. [15] Het verdrag verplicht de verdragsluitende staten onder meer om personen met een handicap “op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot een rechterlijke instantie” te garanderen. [16] In deze zaak staat echter niet het recht op toegang tot de rechter van de dochter centraal, maar dat van [verzoekster] . Daarop heeft het VN-gehandicaptenverdrag geen betrekking. [17]
2.5
Met betrekking tot het subsidiaire beroep van [verzoekster] op cassatie in het belang der wet geldt dat dit cassatieberoep alleen kan worden ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. [18]
2.6
Op grond van het voorgaande dient [verzoekster] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De brief is gedateerd op 17 april 2022.
2.In burgerlijke zaken kan cassatieberoep slechts worden ingesteld door middel van een procesinleiding. Zie artikel 407 lid 1 Rv Pro en artikel 426a lid 1 Rv.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 18 januari 2022, zaaknummer 200.296.285, ECLI:NL:GHARL:2022:351.
4.Rov. 5.5 van de bestreden beschikking.
5.Rov. 3 van de bestreden beschikking.
6.Rov. 4.1 van de bestreden beschikking.
7.VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,
8.Dat is een advocaat die over bijzondere kwalificaties beschikt om in civiele cassatieprocedures te mogen optreden. Zie artikel 9j van de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.
9.De grondslag daarvoor is te vinden in artikel 30f Rv in verbinding met artikel 2 van Pro het Besluit elektronisch procederen (
10.Zie o.a. HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:125,
11.Zie de rechtspraak die in de voorgaande voetnoot is vermeld. Voor wat betreft het voorschrift van artikel 30c lid 1 Rv (indiening langs elektronische weg) volgt uit artikel 30c lid 6 Rv dat de rechter de gelegenheid moet geven het verzuim te herstellen binnen een door hem of haar te bepalen termijn.
12.A-G Hartlief, conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:258, nr. 2.6) voor HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:822,
13.Plv. P-G Langemeijer, conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:754, nrs. 2.2-2.10) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786,
14.Ik heb in deze samenvatting de bronverwijzingen weggelaten, die wel in de hiervoor genoemde conclusie van plv. P-G Langemeijer voor HR 28 september 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:754) zijn genoemd.
15.Artikel 1 VN Pro-gehandicaptenverdrag.
16.Artikel 13 VN Pro-gehandicaptenverdrag.
17.Zie ook plv. P-G Langemeijer, conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:372, nr. 7) voor HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:573,
18.Artikel 78 lid 1 in Pro samenhang met artikel 111 lid Pro 2, aanhef en sub c, RO.