ECLI:NL:HR:2019:605

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
15 april 2019
Zaaknummer
17/03339
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 226g SvArt. 44a SrArt. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in liquidatieproces medeplegen moord

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren en zes maanden voor medeplegen van moord in het kader van het liquidatieproces Passage.

De verdachte stelde meerdere middelen van cassatie voor, onder meer over de kroongetuigenregeling en de toepassing van artikel 226g Sv en artikel 44a Sr. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en verwees daarbij naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2019:600).

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren en zes maanden naar dertien jaren.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 23 april 2019.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertien jaar en zes maanden naar dertien jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/03339
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2017, nummer 23/000810-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G.G.J.A. Knoops en E. Vogelvang, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO – en wat betreft
het eerste middel mede gezien de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de met deze zaak samenhangende zaak 17/03280 (ECLI:NL:HR:2019:600), in het bijzonder rov. 3.11 en 8.3 – geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren en zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze dertien jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 april 2019.