Conclusie
eerste middelziet op de met [getuige 1] gesloten kroongetuigenovereenkomst. Niet alle klachten voldoen aan het vereiste dat zij stellig en duidelijk zijn en behoeven daarom geen bespreking. [12] Voor het overige valt het middel in verschillende deelklachten uiteen. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat er geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen ten aanzien van de getroffen beschermingsmaatregelen. Daarnaast wordt geklaagd dat het verzuim, om in een gerechtelijk vooronderzoek een rechtmatigheidstoets ingevolge art. 226g (oud) Sv aan te leggen, tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Tot slot zou het hof in het licht van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onvoldoende hebben gerespondeerd op de verweren inzake de betrouwbaarheid van [getuige 1] .
2.1.2 De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van de kroongetuige [getuige 1]
2.1.2.1 Standpunt verdediging
kroongetuige [getuige 1]is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
2.1.2.2.3 Getuigenbescherming
2.1.2.2.3.1 De uitleg van de regeling
Ten eerste, de verklaringen van [getuige 1] dienen in de zaak van [verdachte] te worden uitgesloten van het bewijs omdat (…) de rechtmatigheidstoets ex art. 226g Sv niet is uitgevoerd in zijn zaak (…).
3.2.1 Ontbreken rechtmatigheidstoets
tweede middelklaagt in de eerste plaats dat het hof niet is ingegaan op ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gevoerde verweren die betrekking hebben op het signalement van de verdachte door de getuige [getuige 4] .
derde middelhoudt in dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de telecomgegevens niet voor het bewijs gebezigd mochten worden en dat deze geen bewijswaarde hebben.
3.4.2 Bewijsverweren(…)
- aan telecomgegevens kan geen belastende betekenis worden gegevenZoals het hof hiervoor onder de bewijsoverwegingen al heeft overwogen, kan aan de telecomgegevens niet meer betekenis worden toegekend dan dat er in de periode rondom het tijdstip van de moord op [betrokkene 7] contacten kunnen worden vastgesteld tussen telefoonnummers die in gebruik waren bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 38] en een telefoonnummer waar ook [verdachte] kon worden bereikt (de huislijn van de ouderlijke woning van [verdachte] ) en telefoonnummers die in gebruik waren bij bekenden van [verdachte] (de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] ). Of [verdachte] daadwerkelijk deel heeft genomen aan die contacten en wat de inhoud van die contacten is geweest, kan niet worden vastgesteld. Niettemin is hetgeen wél kan worden vastgesteld, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, wel degelijk van betekenis.” [49]
3.3.2.5 Telecomgegevens
vierde middelklaagt dat het hof een door de verdediging aangevoerd alternatief scenario ten aanzien van het aantreffen van een sigarettenpeuk met daarop DNA van de verdachte op onjuiste gronden, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.1. Aangetroffen sigaret op de plaats delict
paragraaf 2.1.4zal bovendien een alternatief scenario worden besproken hoe de peuk op de locatie terecht kan zijn gekomen, zonder dat [verdachte] bij het tenlastegelegde delict betrokken was.
ten eersteop dat de zogenaamde ophaalbrug waaraan in het verhoor van 17 november 2015 wordt gerefereerd, toen nog niet bestond. Er was derhalve geen andere wijze om van de Utrechtsebrug naar de Spaklerweg te komen dan via het Altea-hotel (zie ook productie 2).
Ten tweededient op te worden gemerkt dat vanaf het Overamstel-metrostation toen nog niet de lijn 50 vertrok, welke [verdachte] moest nemen om naar Duivendrecht af te reizen.
Ten derdewordt de verklaring van [verdachte] van 17 november 2015 aannemelijker als men de verschillende referentiepunten vergelijkt met de route: "het achenebbisj tunneltje" loopt onder de Utrechtsebrug door, bij deze route kwam [verdachte] inderdaad langs de Maple Leaf fabriek (nu in gebruik door QMusic) en de McDonalds. Deze gegevens ondersteunen het alternatieve scenario van [verdachte] .
Ten vierde, op de foto is ook te zien dat de Rembrandt-toren op dat moment werd gebouwd. Hoewel [verdachte] heeft verklaard dat hij het idee had dat hij om zou fietsen als hij via het Amstel-station zou reizen naar Spaklerweg, is het van belang om op te merken dat hij mogelijk niet eens op deze wijze kon fietsen, nu dit een bouwterrein betrof.
Concluderend:het alternatieve scenario, zoals geschetst door [verdachte] , is meer dan aannemelijk gemaakt door de verdediging en het OM heeft niet wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen sigarettenpeuk delictgerelateerd is. Om het met het IFS te zeggen op pagina 7:
- alternatief scenario voor de aanwezigheid van de peuk op de PD
vijfde middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de schutter is geweest, met name niet nu zijdens requirant op dit punt is betoogd dat het enkele feit dat twee soorten munitie is aangetroffen, niet hoeft te betekenen dat er twee schutters waren.
3.4.3.1 De feitelijke gang van zaken
3.4.3.2 Medeplegen
3.4.3.3 Voorbedachte raad
zesde middelborduurt in wezen voort op het voorgaande, vijfde middel maar richt zich nu tegen de motivering van het door het hof bewezenverklaarde medeplegen door de verdachte.
zevende middelklaagt dat het hof een verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd.
achtste middelklaagt dat het hof ten onrechte ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft overwogen dat hij de termijn van de behandeling zelf had kunnen beperken door zichzelf vrijwillig te melden bij politie en justitie. Die overweging zou strijdig zijn met het nemo tenetur beginsel uit art. 6 EVRM Pro, dat inhoudt dat niemand gedwongen mag worden om bewijs aan te leveren voor zijn eigen schuld, en met het daarvan afgeleide zwijgrecht uit art. 29 Sv Pro.
negende middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de fasen van eerste aanleg en hoger beroep als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro.