ECLI:NL:HR:2019:613

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/01346
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 31.1 WWM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen wapens

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het overdragen van een machinepistool en vijf pistolen met munitie. Het Gerechtshof Den Haag legde een gevangenisstraf van 22 maanden op. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

De Hoge Raad achtte de overschrijding van de redelijke termijn gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van 22 naar 20 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Dit arrest werd op 16 april 2019 gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf van 22 maanden werd verminderd tot 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

16 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/01346
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 maart 2017, nummer 22/004515-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze twintig maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2019.