Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het overdragen van een machinepistool en vijf pistolen met munitie. Het Gerechtshof Den Haag legde een gevangenisstraf van 22 maanden op. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
De Hoge Raad achtte de overschrijding van de redelijke termijn gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van 22 naar 20 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Dit arrest werd op 16 april 2019 gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf van 22 maanden werd verminderd tot 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.