Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het overdragen van vuurwapens, waaronder automatische wapens, met munitie. In cassatie werd het beroep van de verdachte behandeld door de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafmaat.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel van de verdachte niet tot cassatie kon leiden en dat dit geen nadere motivering behoefde. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Deze overschrijding van de redelijke termijn leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 34 maanden naar 30 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 16 april 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 34 naar 30 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.