Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 16 april 2019 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van verdachte. Het beroep was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 augustus 2017. Namens verdachte diende een advocaat een middel van cassatie in, maar de schriftuur werd te laat ingediend.
De reden voor de vertraging was dat het faxapparaat van de raadsman op de laatste dag van de wettelijke 60-dagentermijn dienst weigerde. De Hoge Raad oordeelde dat deze vertraging in de risicosfeer van de verdachte ligt en dat de mededeling over de faxstoring hieraan niet afdoet.
Op basis van de conclusie van de Advocaat-Generaal werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Daarmee werd het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening van schrifturen in cassatieprocedures en bevestigt dat technische storingen bij de raadsman geen geldige reden zijn voor overschrijding van termijnen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens te late indiening van de schriftuur door faxstoring.