ECLI:NL:PHR:2019:409

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/04412
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens te late indiening cassatieschrift

De verdachte was door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en diefstal, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 9 juli 2018 betekend, waarna de raadsman tot uiterlijk 7 september 2018 de schriftuur met cassatiemiddelen moest indienen.

De schriftuur werd echter pas op 11 september 2018 ontvangen. De raadsman gaf aan dat zijn faxapparaat op de laatste dag van de termijn dienst weigerde, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit risico voor rekening van de verdachte komt. Hierdoor is de niet-tijdige indiening een schending van art. 437, tweede lid, Sv.

De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens te late indiening van de schriftuur.

Conclusie

Nr. 17/04412
Zitting: 5 maart 2019
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘’opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “diefstal’’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair zestig dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 9 juli 2018 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. Deze termijn eindigde op vrijdag 7 september 2018. De schriftuur is eerst binnengekomen op dinsdag 11 september 2018.
De niet tijdige indiening ligt in de risicosfeer van de verdachte. Hetgeen door de steller van het middel in het begeleidend schrijven van 11 september 2018 is medegedeeld, te weten dat op vrijdag 7 september 2018 zijn faxapparaat dienst weigerde, kan hieraan niet afdoen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG