Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak staat deelname aan een criminele organisatie centraal, waarbij valse salarisstroken en werkgeversverklaringen werden opgesteld om hypothecaire leningen en bouwdepots te verkrijgen. De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, maar constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking had op de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van twaalf maanden naar elf maanden en een week. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 16 april 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf maanden naar elf maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.