ECLI:NL:HR:2019:714

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
13 mei 2019
Zaaknummer
18/00697
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 366 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke termijn overschreden bij betekening verstekmededeling in ontnemingszaak

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden omdat de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak van de politierechter rechtsgeldig was betekend.

De Hoge Raad erkent dat het middel terecht is voorgesteld en dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden. Dit oordeel baseert de Hoge Raad mede op de samenhang met een gelijktijdig berechte strafzaak waarin hetzelfde tijdsverloop speelde. In die strafzaak werd de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden met een week verminderd vanwege de termijnoverschrijding.

Desondanks leidt de overschrijding niet tot cassatie, omdat de Hoge Raad volstaat met de constatering van de termijnoverschrijding. Het beroep wordt derhalve verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 14 mei 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks de constatering van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

14 mei 2019
Strafkamer
nr. S 18/00697 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2017, nummer 21/001932-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet is overschreden. Het voert daartoe aan dat na de uitspraak van de Politierechter de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend en dat het Openbaar Ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
2.2.
Het middel is terecht voorgesteld. Tot cassatie behoeft dat niet te leiden reeds omdat de Hoge Raad tot het oordeel komt dat met de constatering van de termijnoverschrijding kan worden volstaan, en wel op grond van het volgende. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:708), die door het Hof gelijktijdig met de onderhavige ontnemingszaak is berecht en waarin het tijdsverloop gelijk is geweest, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden. In de strafzaak heeft de Hoge Raad de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, gelet op die overschrijding van de redelijke termijn, met een week verminderd.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 mei 2019.