Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld voor het telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de redelijke termijn voor de betekening van de verstekmededeling na het vonnis van de politierechter is overschreden.
Het vonnis van de politierechter dateert van 7 maart 2014, maar de verstekmededeling werd pas op 5 april 2017 in persoon aan verdachte uitgereikt. Het hof oordeelde dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat verdachte sinds 28 september 2012 tot 23 februari 2017 niet in de basisregistratie personen stond ingeschreven. De verdediging stelde dat het OM niet de nodige voortvarendheid had betracht bij de betekening.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is, aangezien niet blijkt dat binnen een jaar na het vonnis de verstekmededeling rechtsgeldig is betekend conform de vereisten van artikel 366 Sv Pro en jurisprudentie. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de strafduur en vermindert de gevangenisstraf van drie maanden naar twee maanden en drie weken. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van drie maanden naar twee maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn bij verstekmededeling.