Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor doodslag op zijn destijds 20-jarige vriendin in Tilburg in september 2013 door verstikking. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar.
De verdachte heeft het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is het beroep niet ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft op 14 mei 2019 het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en daarmee het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. Er is geen inhoudelijke beoordeling van de zaak geweest vanwege het ontbreken van de middelen.
Het arrest is gewezen door raadsheer A.L.J. van Strien, in aanwezigheid van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van middelen, waardoor de veroordeling van tien jaar gevangenisstraf gehandhaafd blijft.