ECLI:NL:HR:2019:758

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
20 mei 2019
Zaaknummer
17/04278
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 243 SrArt. 300 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake seksueel binnendringen en mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin hij werd veroordeeld voor seksueel binnendringen en meermalen gepleegde mishandeling. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op het verzoek om een medeverdachte als getuige te horen, dat door het hof was afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel van cassatie niet tot cassatie kan leiden en dat het geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom is geen nadere motivering vereist.

Het arrest van het hof wordt bevestigd en het beroep wordt verworpen. De uitspraak is gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, na conclusies van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/04278
Datum21 mei 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2016, nummer 22/004246-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 mei 2019.