Conclusie
middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van de medeverdachte als getuige.
‘het gerechtshof een tijdig verzoek van de verdediging bij appelschriftuur met een beroep op het verdedigingsbelang om de medeverdachte als getuige te (doen) horen heeft afgewezen met het argument dat het horen van die getuige niet noodzakelijk zou zijn’. [5] Voor zover de steller van het middel erover beoogt te klagen dat het hof bij de beoordeling van het bij appelschriftuur gedane getuigenverzoek de verkeerde maatstaf heeft aangelegd, mist deze klacht feitelijke grondslag. Gezien het voorgaande heeft het hof immers gemotiveerd geoordeeld dat de verdachte
‘niet in zijn verdediging is geschaad door het niet horen van voornoemde persoon als getuige’. Zodoende heeft het hof bij de beoordeling van het bij appelschriftuur gedane getuigenverzoek de juiste maatstaf gehanteerd, te weten het verdedigingsbelang. [6] Het middel faalt in zoverre. Welwillend gelezen wordt in de toelichting op het middel echter ook nog geklaagd over de in cassatie te toetsen begrijpelijkheid van die afwijzende beslissing van het hof. [7] Ik zal ook deze klacht bespreken.