Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor diefstal van kentekenplaten. De diefstal vond plaats tussen 19.30 en 00.45 uur, waarbij de kentekenplaten bevestigd waren op en in een auto. Verdachte werd om 00.45 uur aangetroffen met de kentekenplaten.
In cassatie werd betoogd dat het bewijs onvoldoende was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden. Er was toereikend bewijs dat verdachte de diefstal had gepleegd. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 21 mei 2019. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor diefstal van kentekenplaten blijft in stand.